ECLI:NL:HR:1999:AA2755

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34349
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afschrijving op historische aanschafwaarde bij binnenlandse belastingplicht na immigratie

Belanghebbende, die in 1977 een hotel in Spanje kocht en dit tot zijn privévermogen rekende, verhuisde op 1 januari 1985 naar Nederland. Voor het jaar 1986 werd hem een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, waarbij het Hof de aanslag van de inspecteur bevestigde. De discussie betrof de vraag of de afschrijving op het hotel moest worden berekend op basis van de historische aanschafkosten of op de waarde in het economische verkeer op het moment van binnenkomst in Nederland.

Het Hof oordeelde dat de afschrijving moet worden gebaseerd op de historische aanschafkosten, omdat de verhuizing naar Nederland geen verandering bracht in de exploitatie of de vermogenspositie van het hotel. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat het Nederlandse belastingstelsel geen ruimte biedt voor herwaardering van het hotel bij immigratie, zodat afschrijving op een waardevermeerdering zonder aanschaffingskosten niet mogelijk is.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep ongegrond. Het arrest werd op 12 mei 1999 uitgesproken door de vijf rechters onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat afschrijving moet worden berekend op historische aanschafkosten en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 april 1998 betreffende de hem voor het jaar 1986 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 439.331,--, waarvan f 163.803,-- is aangemerkt als elders belast inkomen. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 403.160,--, waarvan f 127.632,-- is aangemerkt als elders belast inkomen. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in 1977 een in Spanje gelegen hotel gekocht, dat hij sindsdien tot zijn privévermogen heeft gerekend en heeft verhuurd aan een Spaanse vennootschap. Op 1 januari 1985 is hij verhuisd van Spanje naar Nederland. De historische aanschaf- fingskosten van het hotel (exclusief grond en inventaris) hebben 34.500.000 peseta's bedragen. De waarde in het economische verkeer op 1 januari 1985 beliep 58.000.000 peseta's. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat voor de bepaling van de hoogte van de afschrijvingen op het hotel moet worden uitgegaan van de historische aanschaffingskosten. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende met ingang van 1 januari 1985 als binnenlandse belastingplichtige is aangemerkt noch in de wijze van exploitatie van het hotel noch in de plaats die het in zijn vermogen innam - het bleef tot zijn privévermogen behoren - verandering heeft gebracht. 3.3. De klachten richten zich tegen dit oordeel en gaan uit van de opvatting dat het binnen het stelsel van de wet past om het hotel te herwaarderen naar de waarde in het economische verkeer op het moment van aanvang van de binnenlandse belastingplicht, zodat voor de hoogte van de afschrijvingen na immigratie in Nederland niet van de historische aanschaffingskosten maar van de waarde in het economische verkeer op 1 januari 1985 dient te worden uitgegaan. Voor deze opvatting, die zou meebrengen dat kan worden afgeschreven op een waardevermeerdering ter zake waarvan geen aanschaffingskosten zijn gemaakt, kan echter in het stelsel van de wet noch in enige rechtsregel steun worden gevonden, zodat deze niet als juist kan worden aanvaard. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 12 mei 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker-Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.