ECLI:NL:HR:1999:AA2778
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verlies op aandelen na staking onderneming niet aftrekbaar als ondernemingsverlies
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had in 1990 haar aandelen in een dochtervennootschap verkocht aan een Engelse vennootschap, waarbij de betaling deels uitgestelde winstafhankelijke bedragen betrof. Na diverse aanpassingen en een overeenkomst in 1991 verviel de betalingsverplichting en werd een gegarandeerde opbrengst afgesproken. In 1993 maakte belanghebbende gebruik van haar pandrecht op de aandelen, wat leidde tot een minimale opbrengst. De aandelen werden in december 1993 verkocht en over het jaar 1993/1994 werd winst behaald.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat het verlies van f 450.103,-- dat in 1991/1992 was geleden, niet voortkwam uit een onderneming, aangezien belanghebbende na 31 juli 1991 geen onderneming meer dreef. Het verlies betrof een waardevermindering op aandelen die zelfstandig winsten en verliezen kunnen genereren, los van de gestaakte onderneming.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad oordeelde dat de oordelen van het hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatten en dat deze oordelen feitelijke waarderingen betreffen die in cassatie niet kunnen worden getoetst. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd tot nihil.