ECLI:NL:HR:1999:AA2786

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33580
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Brunschot
  • Van Vliet
  • Hammerstein
  • Van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Wet op de inkomstenbelasting 1964Wet op de dividendbelasting 1965
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag dividendbelasting 1992

Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, kreeg over het jaar 1992 een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd van ƒ 49.904,--. Na bezwaar en handhaving door de Inspecteur, werd het beroep van belanghebbende door het Gerechtshof te 's-Gravenhage toegewezen en de aanslag vernietigd.

De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de door de Staatssecretaris aangevoerde interpretatie van artikel 44 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet kan worden gevolgd. De stelling dat het als gestort aangemerkte bedrag bij voorrang moet worden aangewend voor het nominale aandelenkapitaal wordt niet ondersteund door het wetsartikel.

Voorts verwierp de Hoge Raad het argument dat een eenmalige keuze van de belastingplichtige over de toerekening van fiscaal erkend gestort kapitaal gevolgen zou hebben voor de kwalificatie van het resterende kapitaal. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd.

Ten slotte werd de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor professionele rechtsbijstand, en werd een recht geheven van ƒ 340,--.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vernietiging van de naheffingsaanslag dividendbelasting over 1992.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Gravenhage van 27 juni 1997 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de dividendbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het jaar 1992 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 49.904,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak, alsmede de naheffingsaanslag, heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen ´s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 5 januari 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Het middel betoogt dat in gevallen, waarin artikel 44 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing is, het ingevolge dit artikel als gestort aangemerkte bedrag bij voorrang moet worden geacht te zijn aangewend als storting ter zake van het nominale bedrag van de aandelen. Dit betoog vindt evenwel geen steun in genoemd artikel 44, zodat het middel in zoverre faalt. 3.2. Het middel faalt evenzeer voorzover het betoogt dat - indien de belastingplichtige vrij zou zijn in de toerekening van het fiscaal erkende gestorte kapitaal - het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende destijds een keuze heeft gemaakt die uitsluit dat thans wordt aangenomen dat het resterende nominale aandelenkapitaal besmet is, aangezien moet worden aangenomen dat een eventuele keuzemogelijkheid eenmalig is en - tenzij anders wordt aangegeven - betrekking heeft op het geheel. Weliswaar is een keuzemogelijkheid eenmalig in die zin dat van een uit de boeken van de vennootschap blijkende aanwending van het fiscaal erkende gestorte kapitaal voor een bepaald doel niet kan worden teruggekomen, maar de met die aanwending gemaakte keuze heeft geen gevolgen voor de kwalificatie van hetgeen aan fiscaal erkend gestort kapitaal resteert.
4. Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van be langhebbende, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 23 juni 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 340,--.