ECLI:NL:HR:1999:AA2786
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag dividendbelasting 1992
Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, kreeg over het jaar 1992 een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd van ƒ 49.904,--. Na bezwaar en handhaving door de Inspecteur, werd het beroep van belanghebbende door het Gerechtshof te 's-Gravenhage toegewezen en de aanslag vernietigd.
De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de door de Staatssecretaris aangevoerde interpretatie van artikel 44 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet kan worden gevolgd. De stelling dat het als gestort aangemerkte bedrag bij voorrang moet worden aangewend voor het nominale aandelenkapitaal wordt niet ondersteund door het wetsartikel.
Voorts verwierp de Hoge Raad het argument dat een eenmalige keuze van de belastingplichtige over de toerekening van fiscaal erkend gestort kapitaal gevolgen zou hebben voor de kwalificatie van het resterende kapitaal. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd.
Ten slotte werd de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor professionele rechtsbijstand, en werd een recht geheven van ƒ 340,--.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vernietiging van de naheffingsaanslag dividendbelasting over 1992.