ECLI:NL:HR:1999:AA2792
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Pos
- Monné
- Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fictieve verkrijging bij gebruiksrecht tot overlijden in successierecht
In deze zaak ging het om een aanslag in het recht van successie opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van een verkrijging uit de nalatenschap van zijn vader, erflater, die op 28 augustus 1995 overleed.
Belanghebbende had een woonhuis verkregen waarbij aan de erflater beperkte rechten van gebruik en bewoning waren toegekend die zouden eindigen bij zijn overlijden. De erflater werd op 16 december 1994 opgenomen in een verpleeghuis en maakte sindsdien geen gebruik meer van het woonhuis. Het hof oordeelde dat het genot feitelijk meer dan 180 dagen voor het overlijden was geëindigd en paste daarom de fictieve verkrijging uit artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 niet toe.
De Hoge Raad stelde echter vast dat het recht van gebruik en bewoning niet eindigt door het feitelijk niet gebruiken van het recht, tenzij anders overeengekomen of afstand gedaan. Omdat het hof niet had vastgesteld dat er een andersluidend beding was of afstand was gedaan, bleef het recht tot overlijden bestaan. Daarom was er sprake van een fictieve verkrijging bij overlijden en bevestigde de Hoge Raad de aanslag van de inspecteur.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bepaalde dat het door de griffier betaalde bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak aan de staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het recht van gebruik en bewoning tot overlijden leidt tot een fictieve verkrijging en bevestigt de aanslag van de inspecteur.