ECLI:NL:HR:1999:AA2800
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over investeringsbijdrage filmproductiekosten 1984
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg voor 1984 een aanslag vennootschapsbelasting van nihil opgelegd. Na bezwaar en beroep werd het geschil uiteindelijk door het Gerechtshof te 's-Gravenhage behandeld, dat de aanslag bevestigde. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende aanspraak kon maken op een investeringsbijdrage voor de productiekosten van de film "F" uit 1984, op grond van artikel 61a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof oordeelde dat er ultimo 1984 geen bedrijfsmiddel was ontstaan en geen reële kans meer bestond dat dit zou gebeuren, zodat sprake was van een desinvestering.
De Hoge Raad corrigeerde dit oordeel en stelde dat beslissend is of ten tijde van het maken van de productiekosten de verwachting bestond dat een bedrijfsmiddel tot stand zou worden gebracht. De omstandigheid dat ultimo 1984 geen bedrijfsmiddel bestond, is geen grond voor een desinvestering. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.
De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en moest het griffierecht vergoeden. De vergoeding van kosten voor de behandeling bij het Hof wordt aan het verwijzingshof overgelaten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het Gerechtshof te Arnhem.