Art. 227 GemeentewetArt. 1 Verordening reclamebelasting Amsterdam 1995Art. 2 Verordening reclamebelasting Amsterdam 1995Art. 3 lid 1 sub b Verordening reclamebelasting Amsterdam 1995Art. 4 Verordening reclamebelasting Amsterdam 1995
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging belastingplicht voor reclamebelasting op verlichte vitrines in Amsterdam
X B.V. exploiteert verlichte vitrines in Amsterdam waarin zij reclame-affiches toont die regelmatig worden vervangen. De gemeente legde over 1995 249 aanslagen reclamebelasting op, welke na bezwaar deels werden vernietigd door het Hof. X B.V. stelde in cassatie dat zij niet belastingplichtig was op grond van artikel 3 lid 1 sub b vanPro de Verordening, omdat deze bepaling onverbindend zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat de bepaling niet in strijd is met artikel 227 vanPro de Gemeentewet en dat de aanslagen terecht zijn opgelegd aan X B.V. als organisatie die zich toelegt op het aanbrengen van opschriften ten behoeve van derden. De vitrines met reclame-affiches worden als reclameobjecten aangemerkt die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, waardoor de reclamebelasting van toepassing is.
Verder is geoordeeld dat het jaartarief geldt omdat de vitrines bestemd zijn om blijvend in het stadsbeeld opgenomen te worden en de belastingplicht bij aanvang van het kalenderjaar ontstaat. Het beroep van X B.V. tegen de aanslagen wordt verworpen en er worden geen proceskosten aan haar opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van X B.V. wordt verworpen en de reclamebelastingaanslagen worden bevestigd.
Uitspraak
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 januari 1998 betreffende na te melden aanslagen in de reclamebelasting.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn over het jaar 1995 249 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de reclame- belasting van de gemeente Amsterdam opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur der Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd voor zover deze betrekking heeft op andere aanslagen dan die, welke op de specificatiestaat behorende bij het aanslagbiljet voorkomen onder de nummers 179, 180, 185 tot en met 190, 192 tot en met 197 en 228 tot en met 237, heeft die andere aanslagen vernietigd, en heeft voor het overige de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en zijn standpunt schriftelijk doen toelichten door mr. R.M. Schutte, advocaat te 's-Gravenhage.
3. De Verordening De te dezen van belang zijnde bepalingen van de Precariobelasting en reclamebelastingverordening Amster- dam 1995 luiden:
Beripsomschrijvingen. Art.1 VoorPro de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (...) c opschrift: openbare aankondiging in letters of symbolen, voor zover niet door middel van tijdschriften of nieuwsbladen gedaan; d reclameobject: een voorwerp met opschrift of een opschrift, voor zover zichtbaar vanaf de openbare weg; e verlicht reclameobject: een reclameobject, voorzien van inwendige of uitwendige kunstverlichting, dan wel geschikt om kunstverlichting te voeren; g jaar: een kalenderjaar; (...) l tabel: de bij deze verordening behorende tabel.
Aard van de heffing. Art. 2 OpPro grond van de verordening worden onder de naam (...) reclamebelasting belastingen (...) geheven ter zake van: a reclameobjecten; (...)
Belastingplicht. Art. 3 1. De belasting als bedoeld in art. 2, onder a, wordt geheven van degene van wie dan wel ten behoeve van wie reclameobjecten afkomstig zijn of worden aangetroffen, met dien verstande dat: (...) b indien een opschrift wordt aangebracht, in stand gehouden of verwijderd door een organisatie die zich
daarop ten behoeve van derden toelegt, deze organisatie belastingplichtig is. (...)
Maatstaf van heffing; tarieven. Art. 4 1. De belastingen (...) worden geheven naar de maatstaven en tarieven die zijn opgenomen in de tabel. 2. De in de tabel opgenomen jaartarieven vinden toepassing ten aanzien van (...) reclameobjecten die zijn bestemd om blijvend in het stadsbeeld te worden opgenomen. (...)
Tijdvak. Art. 5 1. Indien de belastingen (...) worden geheven naar jaar-(...)tarieven, is het belastingtijdvak het jaar (...) waarin de (...) reclameobjecten aanwezig zijn. 2. (...)
Wijze van heffing. Art. 6 1. De belastingen (...) worden geheven bij wege van aanslag. (...) Ontstaan belastingschuld; ontheffing. Art. 10 1. De belastingen (...) zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, indien dit later is, op het tijdstip waarop de belastingplicht aanvangt. (...) 4. Indien de belastingplicht, bij toepasselijkheid van de jaar-(...)tarieven, in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend naar evenredigheid van het aantal na de beëindiging van de belastingplicht in het jaar nog resterende volle kalendermaanden.
4. Beoordeling van het middel 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende exploiteert in de gemeente verlichte vitrines waarin zij affiches met reclameboodschappen van klanten toont. Een affiche blijft gedurende één of twee weken in een vitrine en wordt dan vervangen. In sommige vitrines bevinden zich gelijktijdig twee affiches die beurtelings 30 seconden worden getoond. 4.2.1. Belanghebbende heeft voor het Hof het standpunt verdedigd dat artikel 3, lid 1, aanhef en letter b, van de Verordening, op grond waarvan de Inspecteur haar heeft aangemerkt als belastingplichtige voor de reclamebelasting, onverbindend is. Het Hof heeft dat standpunt verworpen. Tegen dit oordeel richt zich het eerste onderdeel van het middel met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 1992, nr. 27819, BNB 1992/166. 4.2.2. Met haar beroep op het arrest BNB 1992/166 miskent belanghebbende dat het in die zaak ging om de vraag wie had te gelden als degene "van wie dan wel ten behoeve van wie" openbare aankondigingen werden aangetroffen, als bedoeld in een met artikel 3, lid 1, aanhef, van de onderhavige Verordening vergelijkbare bepaling. Die vraag doet zich te dezen echter niet voor. De thans in geschil zijnde aanslagen zijn immers aan belanghebbende opgelegd op grond van de bijzondere regel van artikel 3, lid 1, aanhef en onder letter b, van de Verordening, dat een uitzondering op de hoofdregel van artikel 3, lid 1 aanhef, bevat in die zin dat in gevallen waarin een opschrift wordt aangebracht, in stand gehouden of verwijderd door een organisatie die zich daarop ten behoeve van derden toelegt, deze organisatie belastingplichtig is. 's Hofs oordeel dat deze bepaling niet onverbindend is nu zij niet in strijd is met de in artikel 227 vanPro de Gemeentewet (tekst 1995) aan de gemeenten gegeven bevoegdheid om ter zake van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, een reclamebelasting te heffen en evenmin leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing welke de wetgever niet kan hebben beoogd, is juist. Het eerste onderdeel van het middel faalt derhalve. 4.3. Artikel 227 vanPro de Gemeentewet (tekst 1995) laat de heffing van reclamebelasting toe ter zake van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg. In de Verordening is het voorwerp van de reclamebelasting aangeduid als "reclameobject", waaronder volgens artikel 1, aanhef en letter d, wordt verstaan zowel een "opschrift" als een "voorwerp met opschrift", voor zover zichtbaar vanaf de openbare weg, terwijl onder letter c van dat artikel "opschrift" op zichzelf is gedefinieerd als openbare aankondiging. De Verordening is onverbindend voorzover zij, door het heffingsobject aldus te omschrijven, heffing toelaat over iets anders, meer dan een openbare aankondiging zichtbaar vanaf de openbare weg (vgl. HR 7 oktober 1998, nr. 33553, BNB 1998/384). Voorzover het tweede onderdeel van het middel ervan uitgaat dat het Hof in onderdeel 6.7 van zijn uitspraak een zodanige heffing zou hebben aanvaard, berust het op een verkeerde lezing van 's Hofs uitspraak en faalt het derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers kennelijk de onderwerpelijke vanaf de openbare weg zichtbare verlichte vitrines met inbegrip van de daarin getoonde reclame-affiches als geheel aan gemerkt als "openbare aankondigingen in letters symbolen, voor zover niet door middel van tijdschriften of nieuwsbladen gedaan", en daarmede als reclameobjecten in de zin van de Verordening. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van artikel 1 vanPro de Verordening of artikel 227 vanPro de Gemeentewet en behoefde geen nadere motivering, zodat het onderdeel ook voor het overige faalt.
4.4. Met het derde onderdeel herhaalt belanghebbende haar voor het Hof gehouden betoog dat de aanslagen niet in stand mogen blijven omdat zij zijn opgelegd vóór de afloop van het belastingtijdvak. Ook dit onderdeel faalt. 's Hofs oordelen dat de vitrines zijn bestemd om blijvend in het stadsbeeld te worden opgenomen en in de regel - waarmede het Hof kennelijk bedoelt: doorgaans, slechts met uitzondering van de momenten waarop de affiches worden gewisseld - van affiches zijn voorzien, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen vanwege hun feitelijke aard in cassatie verder niet op hun juistheid worden onderzocht; zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft het Hof, gelet op het bepaalde in de Verordening en de daarbij behorende tarieftabel, terecht geoordeeld dat met betrekking tot die vitrines het jaartarief van toepassing is, dat derhalve als belastingtijdvak heeft te gelden het kalenderjaar, en dat de heffing per vitrine een vast bedrag per kalenderjaar beloopt. De daaraan door het Hof verbonden gevolgtrekking dat met betrekking tot de vitrines de grootte van de belastingschuld reeds vaststaat bij het begin van het heffingstijdvak, en dat op die grond het betoog van belanghebbende moet worden verworpen, is juist.
5.Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6.Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 9 juli 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Beukenhorst, Monné en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.