ECLI:NL:HR:1999:AA2805

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33741
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Zuurmond
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 47 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid van reiskosten en gift in inkomstenbelastingzaak 1994

Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1994, waarbij een belastbaar inkomen van f 58.684 werd vastgesteld. Na bezwaar en beroep bij het Hof te Leeuwarden werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat de kosten van een reis naar Curaçao, gemaakt ter oriëntatie op een sollicitatie bij de belastingdienst aldaar, aftrekbaar waren als kosten in de sfeer van de inkomstenverwerving. Het Hof oordeelde echter dat deze reis niet van een vakantiereis te onderscheiden was en dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestond met een toekomstige dienstbetrekking.

Daarnaast voerde belanghebbende aan dat een gift aan S.C. Heerenveen aftrekbaar was, mede op grond van een uitlating van de Staatssecretaris van Financiën over de toetsing van instellingen. De Hoge Raad bevestigde dat de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat de begiftigde instelling voldoet aan de criteria van artikel 47 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit was niet gebeurd, waardoor de gift niet aftrekbaar was.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 9 juli 1999 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de reiskosten en gift niet aftrekbaar zijn.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 september 1997 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 58.684,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Belanghebbende komt in cassatie in de eerste plaats op tegen 's Hofs oordeel dat de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor een reis naar Curaçao, die hij, naar hij heeft gesteld, heeft ondernomen ter oriëntatie, in verband met een sollicitatie naar een baan bij de belastingdienst aldaar, naar hun aard geen aftrekbare kosten zijn in de zin van artikel 35 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat deze reis zich niet van een vakantiereis onderscheidde en dat een reis als de onderhavige past bij belanghebbendes financiële en overige persoonlijke omstandigheden. Het Hof heeft hiermede tot uitdrukking gebracht dat het hier gaat om uitgaven die naar hun aard in de sfeer van inkomensbesteding liggen en dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat met een eventuele toekomstige dienstbetrekking om niettemin in het onderhavige geval die uitgaven aan te merken als in de sfeer van de verwerving van inkomsten gemaakte kosten. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet indien ervan wordt uitgegaan dat - zoals belanghebbende heeft gesteld en door het Hof in het midden is gelaten - belanghebbende de reis naar Curaçao heeft gemaakt om zich omtrent dat eiland en de samenleving aldaar ter plaatse te oriënteren teneinde een verantwoorde beslissing te nemen over het doorzetten van zijn sollicitatie naar een daar uit te oefenen functie. 's Hofs oordeel kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. 3.2. Met betrekking tot de door hem gedane gift aan S.C. Heerenveen beroept belanghebbende zich, zoals hij ook voor het Hof heeft gedaan, op de uitlating van de Staatssecretaris van Financiën, opgenomen in het persbericht van het Ministerie van Financiën van 3 december 1982, nr. W 310, V-N 1982, blz. 2461, punt 13, dat "Het behoort tot de taak van de inspecteur individuele gevallen te toetsen of instellingen voldoen aan de criteria van voormeld artikel 47". Deze uitlating, gelezen in haar context, laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de Staatssecretaris daarmede tot uitdrukking heeft gebracht dat de vraag of een instelling voldoet aan de criteria van artikel 47 van Pro de Wet niet ten departemente wordt beoordeeld, maar, per individueel geval, door de bevoegde inspecteur. Belanghebbende kon aan die uitlating dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat hij kon volstaan met het noemen van de begiftigde instelling en dat de Inspecteur daartegenover diende te onderzoeken of die instelling voldeed aan de criteria van artikel 47 en Pro eventueel te bewijzen dat dit niet het geval was. Het Hof is kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat de bedoelde uitlating geen betekenis heeft voor de regel dat een belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek wegens giften desgevraagd aannemelijk dient te maken dat de begiftigde instelling voldoet aan de criteria van artikel 47. 's Hofs oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat S.C. Heerenveen een instelling is als genoemd in artikel 47, lid 1, letter a, van de Wet geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het berust voor het overige op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en kan derhalve niet met vrucht in cassatie worden bestreden. 3.3. De klachten falen derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 9 juli 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.