gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 11 september 1998 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1992 opgelegde navorderings-aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksver-ze-keringen.
1.Aanslag, navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is aanvankelijk over het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksver-ze-ke-rin-gen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.194,--.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 72.223,--, met Een verhoging van 100 percent van de nagevorderde be-las-ting, welke verhoging de Inspecteur direct bij de vaststelling van de navorderingsaanslag tot op 25 percent heeft kwijtgescholden.
De navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd in dier voege dat de daarin begrepen verhoging vervalt. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2.Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 30 maart 1999 geconcludeerd tot vernietiging van ‘s Hofs uitspraak en verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
3.Beoordeling van het middel
Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever, zoals uit de geschiedenis daarvan blijkt, de begrippen opzet en schuld in de zin van culpa gezien als onderscheiden begrippen. Zulks is ook thans nog de heersende opvatting. Uit de ontstaansgeschiedenis van de artikelen 18 en 21 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), waarin is bepaald dat behoudens voor zover het niet aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven, bij het vaststellen van een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag een verhoging wordt begrepen, blijkt niet dat de wetgever van die opvatting heeft willen afwijken. Derhalve kan niet worden gezegd dat in een beschuldiging dat het aan opzet van een belastingplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven, besloten ligt dat hem te dien aanzien grove schuld wordt verweten, zodat hij ook daarmee bij de voorbereiding van zijn verdediging rekening zou kunnen houden. Tegen deze achtergrond houdt het in artikel 6, lid 3, aanhef en onder letter a, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde recht van een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, om onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, mede in dat de inspecteur de belastingplichtige aan wie hij - voorheen: met toepassing van artikel 18, lid 1, of artikel 21, lid 1, eerste volzin, van de AWR - een verhoging wil opleggen, kenbaar moet maken niet alleen aan welke feitelijke gedragingen van de belastingplichtige naar het oordeel van de inspecteur is te wijten dat te weinig belasting is geheven, maar ook of die gedragingen naar zijn oordeel moeten worden gekwalificeerd als opzet, dan wel (desgewenst: subsidiair) als grove schuld. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt.
4.Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
4.1In het onderhavige geval heeft de Inspecteur vóór het tijdstip van vaststelling van de aanslag waarin de verhoging is begrepen aan belanghebbende kenbaar gemaakt welke feitelijke gedraging hem werd verweten - kort gezegd het in aftrek brengen van verhuiskosten, zonder daarbij een ontvangen onbelaste verhuiskosten-vergoeding in aanmerking te nemen - , en hem ook medegedeeld dat een verhoging zou worden opgelegd, zij het dat de Inspecteur daarbij aanvankelijk te kennen heeft gegeven dat het naar zijn oordeel aan belanghebbendes opzet te wijten was dat te weinig belasting was geheven. Nadat belanghebbende op die mededeling had gereageerd, is de Inspecteur van mening veranderd en heeft hij bij de vaststelling van de aanslag, maar zonder daaraan voorafgaande nadere mededeling daarover aan belanghebbende, de boete gebaseerd op de aanwezigheid van grove schuld en dit vervolgens aan belanghebbende medegedeeld.
4.2Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de enkele omstandigheid dat de Inspecteur deze laatste kwalificatie niet reeds vóór het tijdstip van vaststelling van de aanslag waarin de verhoging is begrepen aan belanghebbende heeft medegedeeld, doch eerst daarna, zonder meer leidt tot de gevolgtrekking dat de boete niet in stand kan blijven. Dit uitgangspunt berust evenwel op een onjuiste rechtsopvatting. De strekking van het bepaalde in artikel 6, lid 3, aanhef en onder a, van het EVRM moet vooral worden gezien in het licht van het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het EVRM. Voorts moet, gelet op de samenhang tussen de onderdelen a en b van lid 3 van artikel 6, het recht om op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van een beschuldiging worden beschouwd in het licht van het recht van een verdachte om zich behoorlijk te kunnen voorbereiden op zijn verdediging (vgl. EHRM 25 maart 1999, nr. 25444/94, zaak Pélissier en Sassi/Frankrijk, paragraaf 54). Dit in aanmerking genomen is te dezen voor het vervallen van de boete alleen plaats indien belanghebbende door de hiervoor onder 4.1 geschetste gang van zaken, waardoor de toegang tot de rechter op geen enkele wijze is belemmerd, in de voorbereiding van zijn verdediging is geschaad zodat in dat opzicht niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak. Dat zulks hier het geval is, kan niet reeds worden aangenomen op grond van de enkele omstandigheid dat belanghebbende de nadere opvatting van de Inspecteur inzake de aanwezigheid van grove schuld niet meer heeft kunnen bestrijden vóór het tijdstip van vaststelling van de aanslag waarin de verhoging is begrepen. Voor bestrijding van die juridische kwalificatie en de gevolgen daarvan had belanghebbende, aan wie al wel was medegedeeld welke feitelijke gedraging hem werd verweten, immers nog gelegenheid in bezwaar en beroep. Nu uit ‘s Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat belangheb-bende voor het Hof heeft aangevoerd dat hij door de geschetste gang van zaken anderszins in de voorbe-rei-ding van zijn verdediging is geschaad, heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat die gang van zaken leidt tot het vervallen van de boete. ‘s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6.Beslissing
De Hoge Raad
-vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing inzake het griffierecht,
-verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.