ECLI:NL:HR:1999:AA2888

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34628
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Zuurmond
  • Pos
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tegen deze aanslag maakte hij bezwaar, maar dit werd door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaarperiode. Belanghebbende stelde beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde en de niet-ontvankelijkverklaring bevestigde.

Belanghebbende ging vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat het bezwaarschrift te laat was ingediend en dat geen omstandigheden waren gesteld of gebleken die toepassing van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigen. Ook de stelling van belanghebbende dat een latere uitleg van de Hoge Raad over de termijn hem aanleiding had kunnen geven om tijdig bezwaar te maken, werd niet als een geldige omstandigheid erkend.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 22 september 1999 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Zuurmond, Pos en Monné.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juli 1998 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1.Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is onder dagtekening 31 mei 1995 voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. In het tegen de aanslag gemaakt bezwaar, gedagtekend 11 mei 1997 en door de Inspecteur ontvangen op 14 mei 1997, heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij het Hof, dat het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard en de uitspraak waarvan beroep heeft bevestigd.
2.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoog-schrift ingediend.
3.Beoordeling van de klachten
Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld - in cassatie niet bestreden - dat de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt tegen de aanslag was verstreken voordat het bezwaarschrift werd ontvangen, geoordeeld dat omstandigheden die leiden tot toepassing van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zijn gesteld noch zijn gebleken.
Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet voorzover het Hof daarbij belangheb-bendes opvatting heeft verworpen dat een door de Hoge Raad (in een procedure betreffende een andere belasting-plichtige) na afloop van de bezwaartermijn gegeven uitleg omtrent de toepassing van het recht die, zou zij belang-hebbende tijdig bekend zijn geweest, hem aanleiding had kunnen geven toen bezwaar te maken, niet als een omstandigheid kan gelden die leidt tot toepassing van voormeld artikel. Voor het overige is dit oordeel van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat daarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd.
Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht de bestreden uitspraak bevestigd. De klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
4.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5.Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 22 september 1999 vastgesteld door de raadsheer Zuurmond als voorzitter en de raadsheren Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.