ECLI:NL:HR:1999:AA2889

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34595
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
  • Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 lid 1 Wet milieubeheerArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt legesheffing gemeente bij vergunning Wet milieubeheer

Belanghebbende werd door de gemeente ’s-Gravenhage een bedrag aan leges opgelegd voor de behandeling van een vergunningaanvraag op grond van artikel 8.1, lid 1, van de Wet milieubeheer. Na bezwaar werd het bedrag verminderd, maar belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de legesheffing bevestigde.

Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde enkele klachten aan. De Hoge Raad vroeg nadere inlichtingen over de verordening tot wijziging van de Legesverordening 1971, waarop de gemeente antwoordde.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Ook wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de legesheffing door de gemeente bij de vergunningaanvraag.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de legesheffing door de gemeente wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 juli 1998 betreffende de van hem geheven leges.
1. Heffing, bezwaar en geding voor het Hof
Van belanghebbende is bij nota van 20 maart 1995 terzake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, lid 1, van de Wet milieubeheer, door de gemeente ’s-Gravenhage een bedrag van f 5.217,-- aan leges geheven, welk bedrag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente ’s-Gravenhage is verminderd tot een bedrag van f 4.157,--.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd.
Burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage hebben een vertoogschrift ingediend.
Bij brief van de griffier van de Hoge Raad van 9 juni 1999 zijn inlichtingen gevraagd aan de Gemeentesecretaris van de gemeente ’s-Gravenhage betreffende de inwerkingtreding van de verordening van 25 november 1993 tot wijziging van de Legesverordening 1971. Daarop is geantwoord bij brief ingekomen bij de Hoge Raad op 2 juli 1999.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 22 september 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Pos, Beukenhorst, Monné en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.