ECLI:NL:HR:1999:AA2890

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
340
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a ABWArt. 44 ABWArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel over gezamenlijke huishouding bij beëindiging bijstandsuitkering

X maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die haar bijstandsuitkering blokkeerden en beëindigden. Na een gegrondverklaring van het bezwaar maar handhaving van de beëindiging, verklaarde de Arrondissementsrechtbank het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en verklaarde de bezwaren alsnog ongegrond.

X stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad met een klacht tegen het oordeel dat zij en haar ex-echtgenoot een gezamenlijke huishouding voerden zoals bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel geen onjuiste interpretatie van het begrip gezamenlijke huishouding bevatte en dat cassatiebeoordeling op dit punt beperkt is.

De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee werd het oordeel van de Centrale Raad bekrachtigd dat de uitkering terecht was beëindigd vanwege de gezamenlijke huishouding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel over de gezamenlijke huishouding wordt bekrachtigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juni 1997, betreffende de besluiten tot blokkering en beëindiging van de aan X toegekende uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW).
1. Besluit, bezwaar en geding voor de Arrondissementsrechtbank
Bij besluit van 14 september 1994 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente A (hierna: B en W) de aan X toegekende uitkering ingevolge de ABW geblokkeerd. Bij besluit van 11 oktober 1994 hebben B en W meegedeeld dat de uitkering met ingang van 14 september 1994 is beëindigd. De tegen die besluiten gemaakte bezwaren hebben B en W bij beslissing op bezwaarschrift van 17 januari 1995 gegrond verklaard, maar daarbij hebben zij de beëindiging van de uitkering gehandhaafd.
Tegen deze laatste beslissing heeft X beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Arnhem.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 7 juni 1996 het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding voor de Centrale Raad
X heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
De Centrale Raad heeft die uitspraak en de beslissing van B en W vernietigd en de bezwaarschriften van X alsnog ongegrond verklaard.
3. Geding in cassatie
X heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.
B en W hebben een vertoogschrift ingediend.
X heeft de zaak doen toelichten door mr. D.J. Gutter, advocaat te Utrecht.
4. Beoordeling van de klacht
De Centrale Raad heeft op de gronden, vermeld op bladzijde 4 van zijn uitspraak, geoordeeld - zakelijk weergegeven - dat X en haar ex-echtgenoot B op 14 september 1994 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a van de ABW voerden. De tegen dit oordeel gerichte klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het begrip gezamenlijke huishouding in evenbedoelde zin en de toetsing in cassatie op grond van artikel 44 van Pro de vermelde wet daartoe beperkt moet blijven.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 22 september 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.