ECLI:NL:HR:1999:AA2892
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- raadsheer Monné
- raadsheer Kop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing in zaak over niet-ontvankelijkheid beroepschrift vermogensbelasting 1996
Belanghebbende werd bij beschikking van 5 maart 1998 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de aanslag vermogensbelasting 1996, omdat de gronden van het beroep niet uit het beroepschrift konden worden afgeleid. Na verzet verklaarde het hof dit verzet ongegrond en handhaafde de niet-ontvankelijkheid.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het beroepschrift wel degelijk de gronden van het beroep bevatte, met name klachten over het achterhouden van stukken door de belastingdienst en de vermeende onverbindendheid van de wettelijke regels waarop de aanslag steunt.
De Hoge Raad stelde vast dat de voorzitter ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en dat het hof het verzet gegrond had moeten verklaren en de zaak alsnog in behandeling had moeten nemen. Omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren om de zaak zonder verdere behandeling af te doen, vernietigde de Hoge Raad het vonnis van het hof en verwees de zaak voor verdere inhoudelijke behandeling.
Verder wees de Hoge Raad een proceskostenveroordeling af, maar gelastte vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. Het arrest werd op 22 september 1999 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.