ECLI:NL:HR:1999:AA2895

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34614
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • De Moor
  • Van Vliet
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting en weigert cassatieberoep fiscale eenheid

Belanghebbende, fiscale eenheid X B.V., kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995, inclusief een verhoging. Na bezwaar en beroep bij het Hof te 's-Gravenhage werd de aanslag gehandhaafd. Het hof verwierp de stelling dat bij de correctie inzake personeelsverstrekkingen rekening had moeten worden gehouden met werknemers en bezoekers van onderaannemers die gebruik maakten van personeelsvoorzieningen. Deze feitelijke beoordeling werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht.

Daarnaast oordeelde het hof dat het vervoer van werknemers van woon- of verblijfplaats naar de arbeidsplaats als loon in natura moet worden aangemerkt volgens het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Middelen die hiertegen werden ingebracht faalden omdat zij feitelijke onderzoeken vereisten die in cassatie niet mogelijk zijn. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot een veroordeling in proceskosten en verwierp het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand bleef.

De uitspraak bevestigt de toepassing van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 en benadrukt de grenzen van cassatoetsing bij feitelijke oordelen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij behorende correcties.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X B.V. c.s. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 22 juli 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 24.571,-- aan enkelvoudige belasting. Over ƒ 19.089,-- is een verhoging opgelegd van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijfentwintig percent. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking betreffende de verhoging gehandhaafd
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie
3.1. Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur bij het berekenen van de correctie inzake personeelsverstrekkingen geen rekening heeft gehouden met werknemers en bezoekers van alle onderaannemers die ook gebruik maken van de personeelsvoorzieningen, aangezien deze stelling zonder nadere motivering - die belanghebbende niet heeft gegeven - geen steun vindt in de vastgestelde feiten en omstandigheden.
Middel I en middel II onder 1 strekken ten betoge dat het Hof ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken de door belanghebbende voor het Hof te berde gebrachte stelling dat uit het in de verlies- en winstrekening over 1995 opgevoerde bedrag van ƒ 3.218.222,-- voor personeelskosten van onderaannemers valt op te maken dat 54 personen van onderaannemers eveneens gebruik hebben gemaakt van de personeelsvoorzieningen. In ‘s Hofs uitspraak ligt besloten dat het Hof deze stelling heeft verworpen. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.
3.2. Het Hof heeft voorts overwogen dat de aan deze correctie ten grondslag liggende gegevens alsmede de correctie op zichzelf verder niet zijn bestreden. Voorzover middel II ten betoge strekt dat in het aanvullend beroepschrift behalve wat betreft het aantal gebruikers waarvan de Inspecteur is uitgegaan, de berekening van de correctie ook overigens is bestreden, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.3. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat het voorzien door belanghebbende in het vervoer van haar werknemers van de woon- of verblijfplaats naar de plaats waar de arbeid wordt verricht, als loon in natura moet worden aangemerkt in de zin van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (HR 12 juni 1974, nr. 17.295, BNB 1974/203).
Middel III, dat zich beroept op de aanschrijving van het Ministerie van Financiën van 17 december 1969, B69/13261 (Vakstudie Nieuws 1970, blz. 41), kan niet tot cassatie leiden, aangezien uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat reeds voor het Hof is aangevoerd dat de tewerkstelling van de werknemers geschiedde op wisselende plaatsen, en de beoordeling van die stelling een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie de mogelijkheid ontbreekt.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 22 september 1999 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter en de raadsheren Van Vliet en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken