ECLI:NL:HR:1999:AA3361

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R98/105HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Herrmann
  • Van der Putt-Lauwers
  • Fleers
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking over wijziging levensonderhoud na echtscheiding wegens onjuiste rechtsopvatting

Partijen zijn in 1986 gehuwd en in 1996 gescheiden door een Turks vonnis, ingeschreven in Nederland. Uit het huwelijk zijn drie minderjarige kinderen geboren, onder gezag van de vrouw. De man werd bij beschikking van 29 april 1997 verplicht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en levensonderhoud van de vrouw.

De man verzocht de bijdragen op nihil te stellen wegens verslechterde omstandigheden. De rechtbank wees dit af omdat geen voldoende wijziging van omstandigheden was aangetoond. Het Hof vernietigde dit en stelde de bijdrage voor de vrouw met ingang van 1 juli 1997 op nihil.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te veronderstellen dat voor wijziging van een rechterlijke beslissing over levensonderhoud geen nieuwe wijziging van omstandigheden vereist is. Het Hof gaf ook geen inzicht in zijn motivering indien het dat wel aannam. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van het Hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het Hof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof Arnhem en verwijst de zaak naar het Hof te ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitspraak

Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr H. Lenters,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr J. van Duijvendijk-Brand.
1.Het verloop van het geding
De Hoge Raad verwijst voor het verloop van het geding tot dusver naar zijn beschikking van 16 april 1999. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad het incidentele verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 1998 afgewezen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal in de hoofdzaak strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak.
2.Beoordeling van het middel
2.1Het gaat in deze zaak om het volgende.
(i) Partijen zijn op 10 september 1986 met elkaar gehuwd.
(ii) Bij vonnis van de rechtbank te Yerkov (Turkije) van 8 juli 1996 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 15 juli 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Yerkov.
(iii) Uit het huwelijk van partijen zijn drie, nog minderjarige, kinderen geboren. De vrouw oefent het gezag over de kinderen uit.
(iv) Bij beschikking van de Rechtbank van 29 april 1997 is bepaald dat de man met ingang van 1 maart 1997 zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de genoemde minderjarigen een bedrag van ƒ 300,-- per kind per maand en als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 2.000,-- per maand.
(v) In het onderhavige geding heeft de man verzocht om voormelde bijdragen op nihil te stellen. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat zijn omstandigheden ten nadele zijn gewijzigd.
(vi) De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de beschikking van 29 april 1997 heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het Hof heeft – met vernietiging van de beschikking van de Rechtbank in zoverre – de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 1997 op nihil gesteld. Hiertegen keert zich het middel.
2.2 Blijkens zijn rov. 4.5 heeft het Hof zich, wat de achteruitgang van de draagkracht van de man betreft, vrijwel geheel gebaseerd op gegevens over de periode voorafgaand aan de in 2.1 onder (iv) vermelde beschikking. Uit de beschikking van het Hof blijkt ook overigens niet dat zich na 29 april 1997 een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW Pro heeft voorgedaan.
2.3 Indien het Hof ervan is uitgegaan dat voor wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud op de voet van art. 1:401 lid 1 BW Pro niet is vereist dat zich nadien een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, welke meebrengt dat die uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof van oordeel is geweest dat zich in het onderhavige geval wel een zo-danige wijziging heeft voorgedaan, dan heeft het Hof geen inzicht gegeven in de gedachtengang die hem tot dit oordeel heeft geleid. Het middel, dat op het voorgaande gerichte klachten bevat, is derhalve gegrond.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 1998;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Herrmann, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 5 november 1999.