ECLI:NL:HR:1999:AA3392
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslast bij verkrijgingsprijs aandelen in belastingzaak
Belanghebbende was in geschil met de Inspecteur over de verkrijgingsprijs van aandelen in een B.V. die hij in verschillende jaren had verkregen. Na een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 1992, die gedeeltelijk werd gehandhaafd door de Inspecteur, stelde belanghebbende beroep in bij het Hof. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag.
In cassatie stelde belanghebbende dat de verkrijgingsprijzen van de aandelen niet onder normale omstandigheden waren bedongen, zoals bedoeld in artikel 39, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Hoge Raad oordeelde dat op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast rusten om aannemelijk te maken dat de verkrijgingsprijzen niet onder normale omstandigheden zijn gesloten. Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende deze bewijslast niet had vervuld, wat volgens de Hoge Raad geen onjuiste rechtsopvatting was.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het Hof gebaseerd was op een juiste waardering van de bewijsmiddelen en dat het niet onbegrijpelijk was dat het standpunt van belanghebbende werd verworpen. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd dat belanghebbende de bewijslast niet heeft vervuld.