ECLI:NL:HR:1999:AA3401
Hoge Raad
- Cassatie
- Haak
- Bleichrodt
- Orie
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en beoordeling infiltrant bewijs
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte was veroordeeld tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf voor deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. De Hoge Raad oordeelde dat de behandeling van het cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, waardoor de straf verminderd moest worden.
Het hof had geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, maar tot een strafvermindering. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. Daarnaast verwierp het hof het verweer dat de infiltrant verdachte tot andere handelingen had gebracht dan zijn oorspronkelijke opzet, en dat onvoldoende controle op de inzet van de infiltrant tot niet-ontvankelijkheid van het OM moest leiden.
De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp de overige middelen. Ook het verzoek om aanvullende getuigenverhoren werd afgewezen, aangezien de reeds gehoorde getuigen voldoende informatie hadden verschaft. Uiteindelijk werd de gevangenisstraf verminderd met twee maanden tot drie jaar en vier maanden.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot drie jaar en vier maanden wegens overschrijding redelijke termijn; overige middelen verworpen.