ECLI:NL:HR:1999:AA3812

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34869
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Zuurmond
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenSuccessiewet 1956
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt navorderingsaanslag successierecht na overlijden vruchtgebruik

De zaak betreft een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd aan X naar aanleiding van zijn verkrijging uit de nalatenschap van A, die op 23 december 1976 overleed. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage werd de aanslag gehandhaafd.

Het Hof oordeelde dat X en zijn echtgenote ieder het vruchtgebruik van de onverdeelde helft van het vermogen hadden verkregen, waarbij het vruchtgebruik van de andere helft onder de opschortende voorwaarde van overleving van de echtgenoot stond. Met het overlijden van de echtgenote in 1990 vervulde deze voorwaarde, waardoor X het vruchtgebruik verkreeg uit de nalatenschap van A.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de Inspecteur geen onrechtmatig vertrouwen heeft gewekt door de oorspronkelijke berekeningswijze te volgen. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend, en een onterecht betaalde vergoeding wordt teruggegeven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag in het successierecht wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 34.869
8 december 1999
gewezen op het beroep in cassatie van de erven van X tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 8 oktober 1998 betreffende de ten name van X opgelegde navorderingsaanslag in het recht van successie terzake van zijn verkrijging uit de nala-tenschap van A, overleden op 23 december 1976.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Ten name van X is ter zake van bovenvermelde verkrijging een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van f 2.585.516,--, welke aan-slag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend, waarbij hij zich met betrekking tot het tweede middel heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het Hof heeft blijkens zijn overwegingen de in onderdeel 3.1 van zijn uitspraak geciteerde bepalingen uit het testament van A aldus uitgelegd, dat op grond daarvan X en zijn echtgenote in 1976 bij het overlijden van A ieder hebben verkregen het vruchtgebruik van de onverdeelde helft van het aan hun kinderen gelegateerde vermogen, en voorts ieder het vruchtgebruik van de andere onverdeelde helft daarvan onder de opschortende voorwaarde van overleving van de echtgenoot. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hiervan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat voor X in 1990 met het overlijden van zijn echtgenote de evenvermelde opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan, zodat hij toen bij opvolging het aanvankelijk door zijn echtgenote verkregen vruchtgebruik heeft verkregen uit de nalatenschap van A. Het eerste middel faalt derhalve.
3.2 Het tweede middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur door aanvankelijk de in de memorie van aangifte opgenomen berekeningswijze te volgen bij belanghebbenden niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat ter zake van de onderhavige verkrijging geen recht van successie meer zou worden geheven. Het tweede middel faalt evenzeer, nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en het overigens als van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd in cassatie moet worden geëerbiedigd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 8 december 1999, vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Het bij het beroep in cassatie ten onrechte niet verrekende recht dat is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak van het Hof, ten bedrage van f 150,--, wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.