ECLI:NL:HR:1999:AA3831
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- raadsheer Monné
- Rechtspraak.nl
Geen fiscale faciliteit voor vliegtickets woon-werkverkeer buiten Nederland
De zaak betreft een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd aan Tandartsenpraktijk X B.V. voor de jaren 1992 en 1993. De directeur-enig aandeelhouder A was vanwege gezondheidsredenen van zijn partner in Frankrijk gaan wonen en reisde regelmatig per vliegtuig en auto naar zijn praktijk in Nederland. De kosten van deze reizen, inclusief vliegtickets, werden door de vennootschap betaald.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of het verstrekken van vliegtickets door de inhoudingsplichtige kon worden aangemerkt als vervoer vanwege de werkgever in de zin van artikel 13, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, waardoor de waarde van dat vervoer op nihil zou worden gesteld. De rechtbank en het hof oordeelden dat vervoer per vliegtuig niet valt onder het begrip openbaar vervoer zoals bedoeld in de wet.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en motiveerde dat het begrip openbaar vervoer in de wet uitsluitend betrekking heeft op vervoer over de weg en per rail, niet op vervoer door de lucht. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis, parlementaire stukken en het doel van de regeling, die gericht is op het beperken van autoverkeer en het bevorderen van milieuvriendelijker vervoer. Ook het begrip woon-werkverkeer werd strikt uitgelegd als reizen op dezelfde dag heen en weer, wat in dit geval niet aan de orde was.
Daarom kan de faciliteit van artikel 13, derde lid, Wet LB niet worden toegepast op de verstrekte vliegtickets. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd en het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat vliegtickets voor woon-werkverkeer buiten Nederland niet als openbaar vervoer in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangemerkt.