ECLI:NL:HR:1999:AA3856
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over niet-toepassing omzetbelastingvrijstelling bij ondererfpacht
Belanghebbende, een woningbouwstichting, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over januari 1995, welke door de Inspecteur werd afgewezen. Het Hof Amsterdam vernietigde deze afwijzing en kende gedeeltelijke teruggaaf toe. De discussie betrof de toepassing van artikel 3, lid 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968, dat een afwijking vormt op de hoofdregel.
Belanghebbende had rechten van ondererfpacht gevestigd ten behoeve van Vereniging B en later C, waarbij Vereniging B haar recht op levering had overgedragen aan C. Het Hof oordeelde dat niet aannemelijk was dat Vereniging B zich jegens C had verplicht tot levering van een goed in de zin van artikel 3, lid 3, en dat de vergoeding door C aan B niet onverenigbaar was met dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het oordeel van het Hof berustte op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de notariële akte en de feiten, welke niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof dat de vrijstelling omzetbelasting niet van toepassing is op de vestiging van ondererfpacht.