3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De werkgeefster van belanghebbende heeft hem gedurende het gehele jaar 1993 in verband met het verrichten van arbeid een personenauto met een catalogusprijs van f 56.000,-- ter beschikking gesteld. Op belanghebbende is het autokostenforfait als bedoeld in artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van toepassing. Belanghebbende heeft de verzekeringspremie voor de auto ten bedrage van f 1.695,-- rechtstreeks aan de betrokken verzekeraar voldaan. Hij is met de werkgeefster overeengekomen dat hij dit bedrag moest betalen voor het privé-gebruik van de auto.
3.2. Belanghebbende heeft in zijn aangiftebiljet onder meer het genoemde bedrag van f 1.695,-- als aan de werkgeefster betaalde vergoeding als bedoeld in artikel 42, lid 3, van de Wet in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling het ingevolge dat artikellid tot de inkomsten uit arbeid te rekenen bedrag vastgesteld op f 11.200,--, derhalve zonder aftrek van het genoemde bedrag. Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld.
3.3. In cassatie herhaalt belanghebbende zijn voor het Hof gehouden betoog dat erop neerkomt dat hij de verzekeringspremie die hij krachtens overeenkomst met zijn werkgeeftster rechtstreeks aan de verzekeraar heeft voldaan, op het autokostenforfait in mindering mag brengen omdat die overeenkomst meebracht dat hij het bedrag van die premie aan de werkgeefster diende te betalen als vergoeding voor het privé-gebruik van de auto. In de schriftelijke toelichting in cassatie wordt ook over andere kosten gesproken, maar nu die toelichting na afloop van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is ingediend, gaat het in cassatie nog slechts om de verzekeringspremie.
3.4. Dit betoog strekt ertoe dat voor de toepassing van artikel 42, lid 3, van de Wet onder een vergoeding welke de belastingplichtige ter zake van het gebruik, anders dan ten behoeve van het verrichten van arbeid, aan de werkgever verschuldigd is, kan worden begrepen het bedrag dat de belastingplichtige ingevolge een met de werkgever gesloten overeenkomst ter zake van het privé-gebruik aan deze verschuldigd is, maar ingevolge die overeenkomst aan een derde betaalt ter voldoening van een schuld die de werkgever aan die derde heeft.
3.5. Dit betoog is juist. De werknemer heeft dan immers aan zijn werkgever een vergoeding voor privé-gebruik voldaan door ten behoeve van de werkgever diens schuld aan de derde te voldoen.
3.6. De stukken van het geding (waaronder zich een aan de werkgeefster van belanghebbende gerichte factuur van de verzekeraar bevindt) en ’s Hofs vaststelling dat de verzekeringspremie ingevolge een overeenkomst met de werkgeefster door belanghebbende rechtstreeks aan de verzekeraar moest worden betaald voor het privé-gebruik van de auto, laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat zich hier een geval voordoet als in overweging 3.5. bedoeld.
3.7. Het middel is derhalve gegrond. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.