3.1.1. Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar (1993) tezamen met zijn zoon in maatschapsverband een melkveehouderij te Z.
3.1.2. Op 19 augustus 1993 sloot de maatschap met de B N.V. te Q een overeenkomst die ertoe strekt dat de B N.V. op de percelen, gemeente Z, sectie a, nrs. 2 en 3, een recht van opstal als bedoeld in artikel 5, lid 3, onderdeel b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht verkrijgt ten behoeve van de aanleg en de instandhouding van een hoogspanningslijn. In de overeenkomst is bepaald dat de maatschap als vergoeding voor het recht van opstal en de uit de aanwezigheid van nader aangeduide elektriciteitswerken voortvloeiende hinder en schade een eenmalig bedrag van f 24.984,-- ontvangt, alsmede een nader vast te stellen bedrag voor de waardedaling van de percelen, indien zij bebouwd zijn.
3.1.3. De B N.V. heeft in 1993 een bedrag van
f 24.984,-- aan de maatschap betaald. Van dit bedrag is f 500,-- verstrekt ter zake van "medewerkingsvergoeding/ mast", f 19.734,-- ter zake van "recognitie overspan-ning" en f 4.750,-- ter zake van "vermogensschade mast".
3.1.4. De B N.V. heeft bij brief van 6 december 1993 aan belanghebbende medegedeeld: dat in geval van een minnelijke regeling aan de rechthebbende een recognitie wordt betaald; dat deze recognitie geen schadevergoeding is, maar een eenmalige betaling die wordt gedaan om te bevorderen dat zoveel mogelijk rechthebbenden vrijwillig een overeenkomst met de B N.V. aangaan; dat, voor alle duidelijkheid, de recognitie dus wordt uitgekeerd naast de volledige schadevergoeding; dat indien een gedoog-plicht wordt opgelegd, de belanghebbende aanspraak heeft op schadevergoeding, maar niet in aanmerking komt voor recognitie of medewerkingsvergoeding, omdat in die situatie geen sprake is van vrijwillige medewerking.
3.1.5. De werkzaamheden zijn in 1995 aangevangen en in dat jaar voltooid.
3.1.6. Op 30 mei 1995 hebben D, E en F, allen makelaars/taxateurs, de waardevermindering van de melkveehouderij, bestaande uit een boerderij met aanhorigheden, ondergrond, erf en weiland, gelegen in de gemeente Z, sectie a, nrs. 2 en 3, tezamen groot ca. 19.15 ha., in verband met de aanleg van de hoogspanningslijn getaxeerd. Zij hebben in hun gezamenlijk taxatierapport die waardevermindering vastgesteld op f 60.000,--.
3.1.7. Belanghebbende en diens zoon hebben vervol-gens eerdergenoemde D opgedragen afzonderlijk de waardevermindering van de weidegronden, met tussen-liggende bosstrook, te taxeren. Deze heeft zich in zijn taxatierapport beperkt tot de achterste gedeelten van de percelen nrs. 2 en 3, tezamen groot ca. 8.50 ha. Hij heeft de waardevermindering van die gedeelten op 19 oktober 1995 getaxeerd op f 5.000,-- per hectare, derhalve in totaal op f 42.500,--.
3.1.8. De B N.V. heeft in 1995 een bedrag van
f 60.000,-- aan de maatschap betaald.
3.1.9. K, als taxateur verbonden aan de Belastingdienst/Registratie en Successie te R, heeft in een in januari 1997 opgemaakt rapport de waar-devermindering per 30 mei 1995 van het achterste gedeelte van de percelen nrs. 2 en 3, groot ca. 8.50 ha, getaxeerd op f 20.000,-- en de waardevermindering van de overige onroerende zaken naar evenredigheid van hun waarde vastgesteld op in totaal f 40.000,--.
3.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof primair op het standpunt gesteld dat te zijnen aanzien de helft van de hiervóór in 3.1.3 genoemde bedragen van f 500,-- en f 19.734,--, derhalve f 10.117,--, moet worden aange-merkt als een ingevolge artikel 8, lid 1, onderdeel b, van de Wet vrijgesteld voordeel uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden, subsidiair op het standpunt dat de boekwaarde van de desbetreffende landerijen in 1993 moet worden afgewaardeerd, en meer subsidiair op het standpunt dat de in 1993 ontvangen vergoeding wegvalt tegen de waardedaling van de desbetreffende landerijen.