ECLI:NL:HR:1999:AA4645
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingaanslag na waardering vergoeding recht van opstal en waardedaling grond
Belanghebbende, samen met zijn zoon, dreef in 1993 een melkveehouderij en ontving van B N.V. een vergoeding voor het vestigen van een recht van opstal ten behoeve van een hoogspanningslijn op zijn percelen. De vergoeding bestond uit een eenmalig bedrag en een nader vast te stellen bedrag voor waardedaling van de percelen.
De Belastingdienst legde een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij een deel van de vergoeding belast werd. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde onder meer dat een deel van de ontvangen bedragen vrijgesteld voordeel uit landbouwbedrijf was of dat de boekwaarde van de landerijen moest worden afgewaardeerd.
Het Hof oordeelde dat het eenmalige bedrag niet ter vergoeding van waardeverandering van de grond diende te worden beschouwd en dat de waardedaling pas in 1995 was vastgesteld, waardoor geen waardevermindering in 1993 aannemelijk was gemaakt. Dit oordeel werd door de Hoge Raad als feitelijk en niet onbegrijpelijk bevestigd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde belanghebbende niet in proceskosten. Hiermee bleef het Hofarrest in stand dat de aanslag en de fiscale behandeling van de vergoeding bevestigde.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het Hofarrest dat de aanslag bevestigt blijft in stand.