ECLI:NL:HR:1999:AA4775

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R98/128HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Roelvink
  • Herrmann
  • De Savornin Lohman
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging alimentatieverplichting man jegens vrouw

De zaak betreft een verzoek van de man om de alimentatieverplichting jegens zijn ex-partner te verminderen of te beëindigen. De rechtbank had de alimentatie voor een bepaalde periode op nihil gesteld en daarna verlaagd naar ƒ 500,-- per maand. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep, waarna het hof de alimentatieverplichting voor ten minste drie jaar met ingang van 1 mei 1997 op nihil stelde.

De vrouw stelde beroep in cassatie tegen deze beschikking. De Hoge Raad heeft het beroep van de vrouw verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De beschikking werd gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Heemskerk op 3 september 1999.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof dat de alimentatieverplichting op nihil stelt.

Uitspraak

3 september 1999
Eerste Kamer
Rek.nr. R98/128HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr B.B. Jagt,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr T.H. Tanja-van den Broek.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 26 maart 1997 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de Rechtbank te Rotterdam en verzocht haar beschikking van 23 mei 1995 in dier voege te wijzigen dat met ingang van 1 maart 1997 de daarin vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - ten bedrage van ƒ 1.550,-- per maand op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig lager bedrag en met ingang van zodanige datum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 6 oktober 1997 haar beschikking van 23 mei 1995 in dier voege gewijzigd dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voor de periode van 1 maart 1997 tot 1 mei 1997 wordt bepaald op nihil en met ingang van 1 mei 1997 op ƒ 500,-- per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarna de man incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Bij beschikking van 17 juli 1998 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank, voor zover die de alimentatie voor de vrouw over het tijdvak sedert 1 mei 1997 betreft, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de alimentatie van de man voor de vrouw op nihil, op zijn minst voor de tijd van drie jaren met ingang van 1 mei 1997, bepaald, het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen, en de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 3 september 1999.