ECLI:NL:HR:1999:AA7414

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34827
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • De Moor
  • Van Vliet
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting voor thuiszorgverlener

Belanghebbende, werkzaam als gediplomeerd ziekenverzorgende in de thuiszorg, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de jaren 1992 tot en met 1994. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende ten onrechte geen omzetbelasting had voldaan op aangifte, mede gelet op een eerder arrest van de Hoge Raad uit 1995. Tevens werd geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden, omdat de werkzaamheden van een ziekenverzorgende niet gelijkgesteld kunnen worden aan die van een verpleegkundige.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst de klachten van belanghebbende af. De stelling dat collega’s geen belasting hoefden te betalen faalt omdat het Hof een waardering van bewijsmiddelen heeft gemaakt die niet onbevoegd kan worden aangetast. Verder is voor de omzetbelastingheffing niet relevant welke andere belastingen of premies belanghebbende verschuldigd is.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verwerpt het cassatieberoep. Het arrest is op 10 november 1999 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting.

Uitspraak

Nr. 34827
10 november 1999
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s Gravenhage van 10 september 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 16.343,-, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, die werkzaam is in de thuiszorg als gediplomeerd ziekenverzorgende, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 1995, nr. 30247, BNB 1995/220, ten onrechte geen omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel schendt. De klacht die zich richt tegen laatstgenoemd oordeel, faalt, aangezien vanuit het oogpunt van gezondheidskundige verzorging de werkzaamheden van een ziekenverzorgende niet op één lijn kunnen worden gesteld met die welke een verpleegkundige verricht.
3.2. De stelling dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat van collega’s van belanghebbende geen omzetbelasting is nageheven, kan evenmin tot cassatie leiden, daar het oordeel van het Hof dat schending van het gelijkheidsbeginsel niet aannemelijk is gemaakt, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen.
3.3. Voor de beoordeling of belanghebbende aan de heffing van omzetbelasting onderworpen is, is niet van belang welke belastingen en premies belanghebbende voorts eventueel verschuldigd is.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 november 1999 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter, en de raadsheren Van Vliet en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Huijgevoort, en op die datum in het openbaar uitgesproken.