Uitspraak
19 mei 1999.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de curator van een failliete moedervennootschap bevoegd is om namens die vennootschap een enquête te verzoeken bij haar failliete dochtervennootschappen. De curator van de moedervennootschap had een dergelijk verzoek ingediend bij de Ondernemingskamer, maar werd door de Ondernemingskamer niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek namens de dochtervennootschappen.
De Hoge Raad bevestigde dat de curator van de moedervennootschap bevoegd is om een enquête te verzoeken bij de dochtervennootschappen, omdat de aandelen in de dochtervennootschappen onderdeel uitmaken van het vermogen van de moedervennootschap. Dit verzoek wordt gezien als een daad van beheer over een vermogensbestanddeel, waarvoor de curator bevoegd is volgens artikel 68 Faillissementswet Pro.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de bestuurders van de failliete dochtervennootschappen bevoegd zijn om deze vennootschappen in de enquêteprocedure te vertegenwoordigen, en dat het verzoek om een enquête geen betrekking heeft op boedelrechten die exclusief aan de curator toekomen.
Verder werd geoordeeld dat de curator van de moedervennootschap niet verplicht is om vooraf schriftelijk zijn bezwaren kenbaar te maken aan het bestuur en de raad van commissarissen van de dochtervennootschappen, maar dat deze kennisgeving aan de curator van de failliete vennootschap kan worden gedaan.
De Hoge Raad verwierp alle cassatieberoepen en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de Ondernemingskamer.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de curator van de moedervennootschap bevoegd is een enquête te verzoeken bij failliete dochtervennootschappen en verwerpt de cassatieberoepen.