ECLI:NL:HR:1999:AE8723
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Pos
- Beukenhorst
- Monné
- Kop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag vermogensbelasting en bewijsverdeling
Belanghebbende kreeg aanvankelijk een aanslag vermogensbelasting opgelegd over een vermogen van ƒ 118.000,-- voor 1991, waarna een navorderingsaanslag volgde over ƒ 1.156.000,-- met een verhoging van 100%. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze navorderingsaanslag en de verhoging, maar zowel de inspecteur als het Hof bevestigden de aanslag en de weigering tot kwijtschelding.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over het niet horen van een ambtenaar als getuige en de bewijslastverdeling. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet ambtshalve verplicht was de ambtenaar als getuige te horen en dat klachten over diens hoedanigheid en verklaringen niet tot cassatie konden leiden.
Het hof had het bewijs van belanghebbende als ongeloofwaardig beoordeeld en geoordeeld dat het aan belanghebbende was om bewijs te leveren dat het vermogen niet meer aan hem toebehoorde per 1 januari 1991. Dit oordeel van feitelijke aard is in cassatie niet toetsbaar. Klachten over de bewijslastverdeling en de beoordeling van het bewijs faalden.
Ook de klacht over overschrijding van de redelijke termijn werd verworpen, waarbij de Hoge Raad verduidelijkte dat de termijn pas begint te lopen bij een 'criminal charge' door een bevoegde autoriteit. De Hoge Raad wees verdere klachten af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.