ECLI:NL:HR:1999:AH9763

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34333
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Korthals Altes
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Beukenhorst
  • raadsheer Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof Arnhem over toepassing bijzonder tarief inkomstenbelasting 1991

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Tegen deze beslissing ging belanghebbende in beroep bij het Hof Arnhem, dat de aanslag bevestigde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Het geschil betrof de weigering van het Hof om toepassing van een bijzonder tarief toe te staan op inkomsten die ter vervanging van te derven inkomsten werden genoten. Het Hof baseerde zijn oordeel op de omstandigheid dat belanghebbende de huurtermijnen van een nog niet aangevangen periode had verkocht aan een door hem beheerste koper binnen een fiscale eenheid, en dat het doorslaggevende motief was om een bijzonder tarief te verkrijgen.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze omstandigheden het gebruik van het bijzondere tarief in strijd met doel en strekking van de wet zouden brengen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.

Daarnaast werd bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën het door belanghebbende betaalde griffierecht voor het cassatieberoep moest vergoeden. De Hoge Raad wees af om proceskosten toe te wijzen aan partijen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling.

Uitspraak

Nr. 34.333
15 december 1999
RW
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 maart 1998 betreffende de aan hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak door de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend en zich daarin gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Bij de beantwoording van de vraag of terecht toepassing van het bijzondere tarief is geweigerd, heeft het Hof het primaire en meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur dienaangaande onbesproken gelaten en diens subsidiaire standpunt gehonoreerd op grond van zijn oordeel dat toepassing van een bijzonder tarief 'onder deze omstandigheden' in strijd is met doel en strekking van de wet. Met de verwijzing naar 'deze omstandigheden' doelt het Hof kennelijk op de onder 6.1 van zijn uitspraak vermelde omstandigheid dat belanghebbende de huurtermijnen betreffende een nog niet aangevangen periode van twee jaar heeft verkocht aan een door hem beheerste koper die een fiscale eenheid vormde met de vennootschap die zich als huurster hoofdelijk voor de volledige huurbetaling ten opzichte van belanghebbende had verbonden, en de omstandigheid dat, zoals het Hof onder 6.2 en 6.3 heeft vastgesteld, het doorslaggevende motief van belanghebbende voor de onderhavige rechtshandeling is geweest te bereiken dat over de door hem in de naaste toekomst te ontvangen huurpenningen een bijzonder tarief zou worden toegepast in plaats van het tabeltarief. Ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van 's Hofs vaststellingen te dier zake valt zonder nadere motivering, welke echter ontbreekt, niet in te zien waarom de genoemde omstandigheden het oordeel rechtvaardigen dat het gebruikmaken door belanghebbende van de in de wet neergelegde regeling dat een bijzonder tarief van toepassing is op inkomsten die worden genoten ter vervanging van te derven inkomsten, in strijd is met doel en strekking van de wet.
Voorzover de middelen klagen over onvoldoende motivering van 's Hofs evenvermeld oordeel zijn zij derhalve gegrond. Voor het overige behoeven zij geen behandeling.
3.2. Gelet op het hiervóór overwogene, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing dient te volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest,
- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Korthals Altes, Zuurmond, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, in raadkamer van 15 december 1999 en op 19 januari 2000 in het openbaar uitgesproken.