Uitspraak
25 mei 1999.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam waarin aan de betrokkene een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, subsidiair een hechtenis van 260 dagen.
De betrokkene voerde onder meer aan dat het voordeel niet rechtstreeks uit de bewezenverklaarde feiten kon worden verkregen en dat het ontbreken van bewijsmiddelen in het vonnis van de hoofdzaak de ontnemingsvordering moest doen afwijzen. De Hoge Raad oordeelde dat ook indien het voordeel niet direct uit de bewezenverklaarde feiten voortvloeit, maar wel uit de daarop volgende verkoop van heroïne, het voordeel als verkregen door die feiten moet worden beschouwd.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat de ontnemingsrechter in tegenstelling tot de strafrechter in de hoofdzaak zelfstandig bewijsmiddelen mag gebruiken om de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen, zolang deze niet in strijd zijn met de bewezenverklaring in de hoofdzaak. Ook het standpunt dat kosten van verwerving van de heroïne in mindering gebracht moeten worden, werd door de Hoge Raad verworpen omdat ook criminele kosten in aanmerking kunnen worden genomen.
De Hoge Raad verwierp het beroep en handhaafde het vonnis van het hof, waarmee de betalingsverplichting en de subsidiaire hechtenis in stand bleven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en subsidiaire hechtenis.