Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 25 maart 1997 betreffende de aan
[X]te
[Z]voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende was sinds 1964 beherend vennoot van een commanditaire vennootschap en kocht in 1973 een pand dat hij tot zijn privévermogen rekende. De Inspecteur stelde in 1977 dat de parterre van het pand tot het verplicht ondernemingsvermogen behoorde en handhaafde dit standpunt bij bezwaar tegen de aanslag 1975. Belanghebbende bleef het pand tot en met 1990 als privévermogen aangeven, zonder dat de Inspecteur corrigeerde.
In geschil was of stakingswinst moest worden belast over de parterre van het pand. Het hof oordeelde ten gunste van belanghebbende, stellende dat de belastingdienst kennelijk was teruggekomen van haar standpunt en dat belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen op de fiscale kwalificatie als privévermogen.
De Hoge Raad stelt dat het volgen van aangiften gedurende meerdere jaren onvoldoende is om een rechtens beschermd vertrouwen te creëren. Er waren geen aanvullende omstandigheden die bij belanghebbende de indruk wekten dat de Inspecteur het standpunt had gewijzigd. Het feit dat belanghebbende bezwaar maakte tegen de aanslag 1977 doet hieraan niet af, omdat de Inspecteur toen al het standpunt handhaafde.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling, met inachtneming van dit arrest. De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, stellende dat het vertrouwensbeginsel niet geldt op grond van alleen jarenlange aangifte.