Uitspraak
15 januari 1999.
Hoge Raad
Silder Group B.V. en haar dochtervennootschappen Sirex Europe B.V. en Sirex Vastgoed B.V. vormden een fiscale eenheid die op 29 september 1993 met terugwerkende kracht werd verbroken. Na faillissementen van deze vennootschappen verrekende de ontvanger bedragen aan belastingschulden en teruggaven tussen deze entiteiten. De curator van Silder Group B.V. stelde dat deze verrekening niet rechtsgeldig was en vorderde betaling van het verrekeningsbedrag met rente.
De rechtbank wees de vordering van de curator af, maar de Hoge Raad vernietigde dit vonnis. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 24 lid 2 van Pro de Invorderingswet 1990 niet zo moet worden uitgelegd dat de ontvanger bevoegd is tot verrekening van een vordering van een failliete moedermaatschappij met de belastingschulden van haar failliete dochtervennootschappen.
De Hoge Raad benadrukte dat de bepalingen van de Faillissementswet omtrent verrekening (artikel 53 e.v.) niet buiten toepassing zijn verklaard en dat het terzijde stellen van de vereiste dat de schuldenaar tevens schuldeiser moet zijn, de belangen van de schuldeisers van de failliete moedermaatschappij zou schaden. De ontvanger werd veroordeeld tot betaling van het bedrag aan de curator met wettelijke rente en de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de verrekening door de ontvanger niet rechtsgeldig is en veroordeelt tot betaling aan de curator met rente.