Uitspraak
12 februari 1999.
Hoge Raad
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, later gewijzigd in gemeenschap van meubelen en huisraad met een deelgenootschap voor vermogensvermeerdering. Na de echtscheiding ontstond een geschil over de toedeling van het gemeenschappelijk onroerend goed en de waardering daarvan.
De rechtbank had het huis toegewezen aan de vrouw tegen een waarde van ƒ 425.000,--. Het hof bekrachtigde dit oordeel, hoewel het aannam dat de waarde van het huis inmiddels was gestegen tot mogelijk ƒ 560.000,--, maar vond dat de toedeling toch op de eerdere waarde moest plaatsvinden omwille van rechtszekerheid en redelijkheid.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door niet uit te gaan van de waarde van het huis op het moment van verdeling, tenzij de eisen van redelijkheid en billijkheid anders vereisen. Ook heeft het hof zijn motiveringsplicht verzaakt door niet te verklaren waarom van deze peildatum werd afgeweken.
Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling.