Uitspraak
28 mei 1999.
Hoge Raad
In deze civiele procedure gaat het om een geschil tussen erfgenamen over de verdeling van de nalatenschap van de erflater, waaronder verkoop van registergoederen. De verweerders vorderden verkoop en medewerking van de kinderen aan deze verkoop, terwijl de kinderen verweer voerden en tegenvorderingen instelden. Tijdens het geding wijzigde eiser zijn eis in reconventie, waarop verweerders verzet aantekenden. Het hof verklaarde het verzet gegrond en verwees de zaak terug.
Eiser stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad beoordeelde of tegen de beslissing op verzet tegen wijziging van eis hogere voorziening openstaat. Uit de wetsgeschiedenis van art. 134 Rv Pro blijkt dat dit niet het geval is, om vertraging en misbruik te voorkomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de beslissing een marginale toetsing betreft die niet definitief rechten ontneemt en dat eiser in een later stadium zijn eis opnieuw kan wijzigen of een nieuwe vordering kan instellen. Daarom is eiser niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Tevens werd overwogen dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden, omdat eiser voldoende gelegenheid had zijn standpunt toe te lichten.
De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding en sprak het arrest uit op 28 mei 1999.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de beslissing op verzet tegen wijziging van eis.