Uitspraak
[woonplaats].
6 juli 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij werd veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van moord. Het hof had het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte in hoger beroep veroordeeld.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen het gebruik door het hof van een ambtsedig proces-verbaal met een verklaring van een getuige die ter terechtzitting haar verklaring had ingetrokken. Verdachte stelde dat dit in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en artikel 14 IVBPR Pro, omdat de rechter zijn bewijswaardering nader zou moeten motiveren.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechter in beginsel vrij is in de keuze en waardering van bewijsmateriaal en niet verplicht is om zijn keuze en betrouwbaarheid daarvan uitvoerig te motiveren, tenzij bijzondere omstandigheden dit vereisen. In deze zaak was geen sprake van een dergelijke bijzondere situatie. Ook de klacht over een getuigenverklaring die een mening of gissing bevatte, werd verworpen omdat het hof deze verklaring op een begrijpelijke wijze had geïnterpreteerd.
De Hoge Raad concludeerde dat geen gronden aanwezig waren om het arrest te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. De veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf.