Uitspraak
[woonplaats].
18 mei 1999.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte door het hof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie waarvan hij oprichter of bestuurder was. Het hof legde een gevangenisstraf van tien jaar en een geldboete van één miljoen gulden op.
De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, waaronder schending van het recht op een eerlijk proces, onrechtmatigheden bij het bewijs, en schending van het recht op privacy door langdurige observaties en afluisteringen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven bij de beoordeling van de observaties, het gebruik van vertalingen van versleutelde telefoongesprekken en de afwijzing van verzoeken tot inzage in processen-verbaal.
Wel vernietigde de Hoge Raad het arrest voor wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 2 en het ontbreken van vermelding van art. 12 Opiumwet Pro als wettelijke grondslag voor de strafoplegging. De zaak werd terugverwezen naar het hof Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Verder oordeelde de Hoge Raad dat de vertraging in de cassatieprocedure niet onredelijk was en verwierp alle overige middelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de kwalificatie en strafgrondslag, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.