Uitspraak
[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘’Zwaag’’ te Zwaag.
20 april 1999.
Hoge Raad
In deze strafzaak speelde de vraag of een bedreigde getuige, geregistreerd onder nummer CR20NN01, op juiste wijze was gehoord en of diens verklaring aan de verdediging mocht worden onthouden. De rechter-commissaris had de identiteit van de getuige beschermd en geweigerd de verklaring aan de processtukken toe te voegen, vanwege het risico op onthulling van de identiteit.
Het hof had echter de beslissing omtrent de status van de bedreigde getuige aan zich getrokken en de getuige zelf gehoord, buiten aanwezigheid van de Procureur-Generaal, verdachte en raadsman, met gesloten deuren. Dit was in strijd met de Wet getuigenbescherming en het beginsel van interne openbaarheid, en bovendien in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onrechtmatig had gehandeld, waardoor het onderzoek ter terechtzitting nietig was. Ook was het oordeel van het hof dat het onthouden proces-verbaal was gecompenseerd door het verhoor van de getuige onjuist. De bestreden uitspraak kon daarom niet in stand blijven.
De zaak werd vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad benadrukte dat de Wet getuigenbescherming strikt moet worden nageleefd en dat de verdediging recht heeft op ondervraging van getuigen binnen de wettelijke kaders.
Uitkomst: Het onderzoek ter terechtzitting is nietig verklaard en de zaak is vernietigd en verwezen voor hernieuwde berechting.