VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 14 januari 1991 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats St. Maarten, ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: Civil Construction - zich gewend tot dat Gerecht en gevorderd eiseres tot cassatie - verder te noemen: Resort - te veroordelen om aan Civil Construction te betalen een bedrag van US$ 203.049,42, vermeerderd met rente. Bij conclusie van repliek heeft Civil Construction haar eis vermeerderd met een bedrag van US$ 102.000,--, vermeerderd met rente.
Resort heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd Civil Construction te veroordelen tot betaling aan Resort van een bedrag van US$ 102.742,62 alsmede een ex aequo et bono vast te stellen bedrag wegens verbeurde boetes.
Civil Construction heeft in reconventie de vordering van Resort bestreden.
Het Gerecht in eerste aanleg heeft bij tussenvonnis van 1 december 1992 in conventie Resort en in reconventie Civil Construction tot bewijslevering toegelaten, en bij tussenvonnis van 8 maart 1994 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door Civil Construction. Bij eindvonnis van 24 oktober 1995 heeft het Gerecht in eerste aanleg in conventie Resort veroordeeld om aan Civil Construction te betalen een bedrag van US$ 235.049,42, vermeerderd met de wettelijke rente over US$ 203.049,42 vanaf 14 januari 1991 en over US$ 32.000,-- vanaf 12 september 1991, en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft het Gerecht Civil Construction veroordeeld om aan Resort te betalen een bedrag van US$ 144.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 1991, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft Resort hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Bij memorie van grieven heeft Resort gevorderd het in conventie gewezen eindvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Civil Construction in conventie slechts toe te wijzen tot een bedrag van US$ 35.049,42. Civil Construction heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenvonnis van 4 oktober 1996 heeft het Hof in het principaal appèl Resort tot bewijslevering toegelaten en in het incidenteel appèl de zaak naar de rol verwezen teneinde Civil Construction in de gelegenheid te stellen bij akte opgave te doen van de woon- of verblijfplaats van twee getuigen. Bij tussenvonnis van 10 januari 1997 heeft het Hof Civil Construction tot bewijslevering toegelaten. Tenslotte heeft het Hof bij eindvonnis van 24 april 1998, in het principale en in het incidentele hoger beroep, in conventie het bestreden vonnis bevestigd en in reconventie het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen afgewezen.
Het eindvonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.