3.2 In het onderhavige geding vordert [verweerster] op de voet van art. 7A:1632a BW de huurprijs per 1 januari 1995 vast te stellen op ƒ 300.000,-- althans op een hogere dan de geldende huurprijs. WE Vastgoed heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, voor zover zij is ge-grond op door haar aangebrachte verbeteringen. Tegen deze ach-ter-grond hebben partijen gestreden over de vragen wat als ver-betering moet wor-den aangemerkt en welke kosten daarmee waren gemoeid.
Bij tussenvonnis van 17 april 1996 heeft de Kantonrechter WE Vastgoed toegelaten tot het bewijs dat en in hoeverre zij (of haar rechtsvoor-gangster) voor een hoger bedrag aan verbe-teringen aan het gehuurde heeft aan-gebracht als bedoeld in art. 7A:1632a lid 2, slotzin, dan welke reeds verrekend zijn met de geïndexeerde huurkorting (ƒ 70.000,-- per jaar in 1985) gedurende de eerste tien jaar van de looptijd van de huur. De Rechtbank heeft dit vonnis bekrachtigd. Hiertegen richt zich het middel.
3.3 De appelgrieven I en II van WE Vastgoed keerden zich tegen de ver-werping door de Kantonrechter van haar verweren (a) dat tussen partijen een koopovereenkomst is
tot stand gekomen, zo-dat de huurovereenkomst niet meer bestaat, en (b) dat, indien de huurovereenkomst nog wel zou bestaan, de vorde-ring van [verweerster] tot vaststelling van de huurprijs afstuit op de rede-lijkheid en billijkheid, nu het aan [verweerster] te wijten is dat de koopovereenkomst niet is totstandgekomen. De Rechtbank heeft deze grieven in rov. 3.3 en 3.4 van haar vonnis onge-grond bevonden.
Onderdeel 2 bestrijdt als onjuist de door de Rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, die, aldus het onderdeel, hierop neerko-men dat omtrent de in de grieven aan de orde gestelde vragen in een andere procedure, zij het nog niet bij onherroepelijke uitspraak, is beslist onderschei-den-lijk moet worden beslist, en dat de Rechtbank daarover niet te beslissen heeft.
Aldus gaat het onderdeel evenwel uit van een onjuiste le-zing van de be-streden overwegingen van de Rechtbank. Deze overwegingen moeten aldus worden verstaan dat de Rechtbank als haar eigen zelfstandig oordeel heeft ge-geven dat, gelet op de stellingen van partijen, in de onderhavige procedure niet zon-der meer als vaststaand kan worden aangenomen dat een koop-overeen-komst is tot stand gekomen, of dat [verweerster] in ver-zuim was. Hierbij heeft de Rechtbank voorts - hetgeen haar vrijstond - in aanmerking genomen dat in de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde procedure het Hof in zijn arrest van 19 november 1996 heeft geoordeeld dat nog geen sprake kan zijn van een koop-overeenkomst, nu tussen partijen geen overeenstem-ming bestaat over de koop-prijs en evenmin over de maatstaven aan de hand waarvan deze moet worden bepaald, alsmede dat in die procedure nog kan worden beslist of, zo niet wordt aange-nomen dat een koopovereenkomst is tot stand gekomen, dit aan verzuim van [verweerster] te wijten is. Dat de Rechtbank haar beslissing niet heeft aangehouden totdat in de andere proce-dure over voormelde vragen zou zijn beslist, is niet onbegrij-pelijk, in aanmerking genomen dat het Hof in zijn voormeld ar-rest heeft overwogen dat de koopprijs ingevolge de overeen-komst moet worden gebaseerd op de huuruitkomst en dat het daarom geraden is de beslissing aan te houden totdat in de procedure omtrent de huurprijsvast-stelling zal zijn beslist.
De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.