ECLI:NL:HR:2000:AA4920
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt Hofuitspraak over belastingaanslag en aandelenbezit
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 8.273.184, waarvan het grootste deel werd belast volgens artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat het economische belang van de aandelen H B.V. vanaf juli 1990 bij zijn zoon lag, en handhaafde de aanslag.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet tot de conclusie kwam dat de zoon de onderneming per 31 juli 1990 had overgenomen, ondanks een getuigenverklaring. De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof een aanvaardbare waardering van het bewijs had gegeven en dat het middel faalde.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat het Hof de aanslag niet correct had berekend conform artikel 57a, lid 1, van de Wet. De aanslag moest worden verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 4.735.184, waarvan ƒ 4.687.558 belast werd volgens artikel 57a, rekening houdend met de belastingvrije som.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, met uitzondering van de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en bepaalde dat de Staatssecretaris van Financiën de aanslag moest aanpassen en de proceskosten moest vergoeden. Het arrest werd op 23 februari 2000 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag conform artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.