ECLI:NL:HR:2000:AA4944

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/233HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Roelvink
  • raadsheer Neleman
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing cassatieberoep inzake arbeidsongeschiktheidsuitkering verzekeringsovereenkomst

De verzekeringnemer vorderde bij de rechtbank Breda de herinstelling van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een verzekeringsovereenkomst, met ingang van 3 december 1990. De rechtbank wees deze vordering toe na deskundigenonderzoek. Interpolis ging in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat het vonnis vernietigde en een aanvullend deskundigenbericht beval. Uiteindelijk wees het hof de vorderingen van de verzekeringnemer af.

De verzekeringnemer stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen beide arresten van het hof. De Hoge Raad verklaarde het beroep tegen het tussenarrest van 22 april 1997 niet-ontvankelijk omdat de verzekeringnemer geen middelen tegen dat arrest had aangevoerd. Het beroep tegen het eindarrest van 14 april 1998 werd verworpen omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad veroordeelde de verzekeringnemer in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het oordeel van het hof bekrachtigd dat de verzekeringnemer geen recht had op de gevorderde herinstelling van de uitkering.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard tegen het tussenarrest en verworpen tegen het eindarrest, waarmee de vorderingen van de verzekeringnemer zijn afgewezen.

Uitspraak

25 februari 2000
Eerste Kamer
Nr. C98/233HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzekeringnemer],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
N.V. INTERPOLIS SCHADE,
gevestigd te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr J.L.W. Sillevis Smitt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [verzekeringnemer] - heeft bij exploit van 5 november 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: Interpolis - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd Interpolis te veroordelen om haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst na te komen door [verzekeringnemer] met ingang van 3 december 1990 weer in het genot van zijn uitkering te stellen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, te vermeerderen met de wettelijke rente over het achterstallige schadebedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot en met die van de algehele voldoening.
Interpolis heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 november 1994 een deskundigenonderzoek gelast en bij tussenvonnis van 28 februari 1995 vragen voor dit onderzoek geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 23 april 1996 de vordering van [verzekeringnemer] toegewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft Interpolis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij tussenarrest van 22 april 1997 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en een aanvullend deskundigenbericht bevolen. Bij eindarrest van 14 april 1998 heeft het Hof de vorderingen van [verzekeringnemer] afgewezen.
Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het Hof heeft [verzekeringnemer] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Interpolis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen het tussenarrest, en voor het overige tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep tegen het arrest van 22 april 1997
Nu [verzekeringnemer] geen middel heeft aangevoerd tegen voormeld arrest, dient hij in zijn beroep tegen dat arrest niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. Beoordeling van het middel tegen het arrest van 14 april 1998
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [verzekeringnemer] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 april 1997;
verwerpt het beroep tegen het arrest van dat Hof van 14 april 1998;
veroordeelt [verzekeringnemer] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Interpolis begroot op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman, Herrmann, Fleers en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Savornin Lohman op 25 februari 2000.