ECLI:NL:HR:2000:AA4982

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35147
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Brunschot
  • Van Vliet
  • Van Amersfoort
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1988

Belanghebbende werd aanvankelijk aangeslagen voor een belastbaar inkomen van f 318.388 over het jaar 1988. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 647.526, zonder verhoging. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat de navorderingsaanslag handhaafde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde of het hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd of onvoldoende had gemotiveerd. Het hof oordeelde dat de feiten die aan de navorderingsaanslag ten grondslag lagen, de inspecteur geen aanleiding gaven tot het stellen van vragen of afwijken van de aangifte. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd en kon in cassatie niet worden getoetst.

Verder stelde het hof vast dat de inspecteur de feiten die tot navordering leidden niet kende en ook niet behoefde te kennen. Zelfs als hij die feiten had gekend, had hij de oorspronkelijke aanslag kunnen opleggen zonder ambtelijk verzuim te plegen. De Hoge Raad vond geen gronden om het cassatieberoep toe te wijzen en wees het beroep af.

Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen gronden voor veroordeling aanwezig waren. Het arrest werd op 1 maart 2000 door de Hoge Raad in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1988.

Uitspraak

Nr. 35147
1 maart 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 december 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof
Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1988 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 318.388,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 647.526,--, zonder verhoging.
Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de feiten, vermeld in de onderdelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van ’s Hofs uitspraak, de Inspecteur geen aanleiding hoefden te geven tot het stellen van vragen of het afwijken van de ingediende aangifte. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Voorzover het middel zich tegen dit oordeel richt, faalt het derhalve.
3.2. Het Hof heeft voorts - in cassatie onbestre-
den - geoordeeld dat de Inspecteur de feiten, vermeld in de onderdelen 2.4.1 tot en met 2.4.6 van ’s Hofs uitspraak, niet kende en ook niet behoefde te kennen. Voorzover het middel zich richt tegen ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur, ook indien hij kennis had gedragen van laatstbedoelde feiten, de primitieve aanslag had kunnen opleggen conform de ingediende aangifte zonder een ambtelijk verzuim te begaan, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien het zich richt tegen een ten overvloede gegeven oordeel.
3.3. Uit het hiervóór overwogene volgt dat het Hof zonder schending van enige rechtsregel tot de gevolgtrekking heeft kunnen komen dat de Inspecteur geen feiten die hij kende of redelijkerwijs moest kennen ten grondslag heeft gelegd aan de navorderingsaanslag. Nu voorts voor het Hof de tot navordering aanleiding gevende feiten, vermeld in onderdeel 2.1.3 van ’s Hofs uitspraak, als zodanig niet in geschil waren, doet niet ter zake waaraan de Inspecteur zijn kennis omtrent die feiten ontleende. Voorzover het middel betoogt dat onbegrijpelijk is dat het Hof voor de aanwezigheid van een nieuw feit verwijst naar de uitkomsten van een boekenonderzoek, kan het derhalve evenmin tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroorde-ling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 1 maart 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.