ECLI:NL:HR:2000:AA5134
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel dat werkzaamheden niet kwalificeren als zelfstandige beroepsuitoefening voor AOW
Belanghebbende en zijn echtgenote vestigden zich in juli 1986 in Spanje en verhuurden hun woningen, waarbij zij incidenteel opknapwerkzaamheden verrichtten. Het Bestuur kende belanghebbende een gedeeltelijk AOW-pensioen toe met korting vanwege het oordeel dat hij niet verzekerd was geweest gedurende zijn verblijf in het buitenland.
De Rechtbank verklaarde het bezwaar van belanghebbende gegrond en bepaalde dat het Bestuur een nieuwe beslissing moest nemen. De Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de werkzaamheden niet meer inhielden dan beheer van particulier vermogen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat hij en zijn echtgenote als zelfstandigen in de zin van Verordening nr. 1408/71 moesten worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de Centrale Raad geen onjuiste opvatting over het begrip beroepswerkzaamheden bevat en dat het feitelijke oordeel niet in cassatie kan worden getoetst. Het beroep werd verworpen.
De Hoge Raad vond geen gronden voor proceskostenveroordeling en bevestigde daarmee het oordeel van de Centrale Raad dat de werkzaamheden niet kwalificeren als zelfstandige beroepsuitoefening voor de toepassing van de AOW.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat belanghebbende niet als zelfstandige voor de AOW wordt aangemerkt blijft in stand.