3.2 In het onderhavige geding heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen en de bijdrage te bepalen op nihil met ingang van 1 januari 1997, op de grond dat het gerechtshof is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Hij stelde daartoe onder meer dat het bedrag dat na aankoop van de nieuwe woning voor de vrouw resteerde niet ƒ 125.000,-- beliep maar ƒ 305.000,-- zodat zij na aftrek van de overdrachtskosten, de kosten van herinrichting en aanschaf van een andere auto de beschikking had over ƒ 227.000,--.
De Rechtbank heeft de beschikking van het gerechtshof gewijzigd in die zin dat zij de door de man te betalen bijdrage met ingang van 30 september 1998 op nihil heeft gesteld. Deze beslissing is ten aanzien van de lijfrente, het pensioen en het rentepercentage gebaseerd op dezelfde gegevens als waarvan het gerechtshof is uitgegaan in zijn beschikking van 13 juni 1996. De Rechtbank begrootte het totale vermogen van de vrouw (effecten en “restantbedrag”) per 1 januari 1997 op ƒ 332.819,--, welk vermogen naar het oordeel van de Rechtbank een inkomen van ƒ 16.640,95 per jaar zou kunnen opleveren. Daarnaast ging de Rechtbank ervan uit dat de grond in Libanon voor een bedrag tussen ƒ 100.000,-- en ƒ 150.000,-- verkocht zou kunnen worden en dat de vrouw uit haar deel van de opbrengst gemiddeld een inkomen van ƒ 2.000,-- per jaar zou kunnen ontvangen. Uitgaven die bleken “uit de opsomming van het verloop van haar vermogen” - de Rechtbank doelt hier kennelijk op de door de vrouw bij verweerschrift overgelegde opgave van haar accountant welke onder meer inhield dat in 1996 sprake was geweest van “disposities” tot een bedrag van ƒ 47.823,-- - heeft de Rechtbank buiten beschouwing gelaten “nu de noodzaak daarvan onvoldoende is aangetoond” en “niet eens is gebleken of gesteld waarvoor deze uitgaven waren bestemd.”
3.3 In hoger beroep heeft de vrouw onder meer aangevoerd (grieven I en III), dat de Rechtbank ten onrechte is uitgegaan van haar vermogen per 1 januari 1997: naar de opvatting van de vrouw had de Rechtbank behoren uit te gaan van haar vermogen per 1 januari 1998, zoals dat blijkt uit haar aangifte Vermogensbelasting 1998, en derhalve van ƒ 258.867,--. Daarnaast heeft de vrouw betoogd dat verkoop van de grond in Libanon vooralsnog niet mogelijk is.
De man daarentegen heeft zich op het standpunt gesteld, dat zelfs volgens de eigen stellingen van de vrouw haar vermogen per 1 januari 1997 ƒ 398.672,-- zou moeten bedragen, en heeft volhard bij zijn stelling dat het vermogen van de vrouw, dat volgens de door haar overgelegde aangifte Vermogensbelasting per 1 januari 1999 ƒ 263.083,-- bedroeg, zonder objectieve noodzaak is verminderd, zodat met die vermindering bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw geen rekening mag worden gehouden.
Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank vernietigd en het inleidend verzoek van de man afgewezen. Het Hof was van oordeel dat, in aanmerking genomen onder meer dat het vermogen van de vrouw op 1 januari 1999 ƒ 263.083,-- bedroeg en dat aannemelijk was dat de grond in Libanon niet op een redelijke termijn verkocht zou kunnen worden, de op 13 juni 1996 bepaalde bijdrage nog steeds in overeenstemming was met de wettelijke maatstaven.