ECLI:NL:HR:2000:AA5263
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Neleman
- raadsheer Jansen
- raadsheren Van der Putt-Lauwers
- raadsheer De Savornin Lohman
- raadsheer Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late indiening
De zaak betreft een verzoek van de Gemeente 's-Gravenhage tot terugvordering van kosten van bijstand, waarbij verzoekers in eerste aanleg niet verschenen en de Kantonrechter de vordering deels toewijst. Verzoekers stelden hoger beroep in, maar werden in het ongelijk gesteld door de Rechtbank die de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigde. Vervolgens werd cassatieberoep ingesteld door verzoekers, maar dit werd betwist door de Gemeente en de Advocaat-Generaal pleitte voor niet-ontvankelijkheid.
De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De cassatietermijn bedroeg acht weken na verzending van de beschikking op 18 maart 1999, dus tot 17 mei 1999. Het cassatierekest werd echter pas op 20 mei 1999 ingediend. Verzoekers verzochten om 7 mei 1999 als datum van indiening te beschouwen vanwege een vergissing waarbij het rekest verkeerd was ingediend bij de centrale balie van het Paleis van Justitie in plaats van bij de griffie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat de indiening op het verkeerde adres voor risico van verzoekers komt en dat de centrale balie niet als een overkoepelende administratieve organisatie kan worden gezien. Er is geen grond voor een uitzondering op de termijnregel op basis van art. 6:15 Awb Pro. Daarom worden verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep.
Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep wegens overschrijding van de cassatietermijn.