ECLI:NL:HR:2000:AA5323

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/248HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Roelvink
  • Herrmann
  • Van der Putt-Lauwers
  • Fleers
  • De Savornin Lohman
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen vernietiging voorziening in kort geding

Eiser heeft in kort geding een voorschot op schadevergoeding gevorderd van verweerder, bestaande uit een bedrag van ƒ 160.000,--, wettelijke rente en incassokosten. De President van de Rechtbank Amsterdam wees de vordering toe, maar het Gerechtshof Amsterdam vernietigde dit vonnis en wees de gevraagde voorziening af.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten onderzocht maar geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie, mede omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft het arrest van het hof dat het voorschot op schadevergoeding in kort geding heeft afgewezen, in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het voorschot op schadevergoeding.

Uitspraak

31 maart 2000
Eerste Kamer
Nr. C98/248HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [adres],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr H.M.L. Brands,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr A. van Zalingen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 13 maart 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis, bij wijze van voorschot op de in de bodemprocedure gevorderde schadevergoeding aan [eiser] te betalen:
A. de door de Kantonrechter op 13 november 1997 toegewezen vergoeding ten bedrage van ƒ 160.000,-- (bruto) of een zodanig bedrag als de President in goede justitie vermeent te behoren;
B. de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 19 december 1997, subsidiair vanaf 9 februari 1998, zijnde de datum van dagvaarding in de hoofdzaak;
C. de door [eiser] geleden vermogensschade, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 8.960,-- of een zodanig bedrag als de President in goede justitie vermeent te behoren.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden.
De President heeft bij vonnis van 9 april 1998 [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 160.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 december 1997, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 9 juli 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening geweigerd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.827,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Van der Putt-Lauwers, Fleers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 31 maart 2000.