ECLI:NL:HR:2000:AA5523
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Jansen
- raadsheer O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen gezagsrecht voor gezinsvoogdij-instelling bij ondertoezichtstelling
In deze zaak verzocht het Bureau Jeugdzorg Amsterdam (BJA) de ondertoezichtstelling van een minderjarige dochter te verlengen, terwijl de moeder een verzoek indiende om een schriftelijke aanwijzing van het BJA te laten vervallen en het BJA een machtiging tot uithuisplaatsing vroeg. De moeder was met de dochter zonder overleg met het BJA naar Denemarken verhuisd.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, waarna het hof deze beslissing bekrachtigde. Het hof oordeelde dat het BJA geen gezagsrecht heeft zoals bedoeld in de Kinderontvoeringsverdragen en dat de verhuizing van de moeder met de dochter niet in strijd was met deze verdragen. De moeder behield het recht om de verblijfplaats van haar dochter te bepalen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van het BJA. De Hoge Raad stelde dat ondertoezichtstelling weliswaar het gezag kan beperken, maar niet overdraagt aan het BJA. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het Haagse Kinderontvoeringsverdrag geen gezagsrecht toekent aan het BJA in deze context.
Hierdoor blijft het gezag bij de moeder en is de verhuizing naar Denemarken rechtmatig, waardoor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft over de zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van het Bureau Jeugdzorg af en bevestigt dat het BJA geen gezagsrecht heeft en dat de moeder rechtmatig met haar dochter naar Denemarken is verhuisd.