ECLI:NL:HR:2000:AA5526
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Herrmann
- raadsheer O. de Savornin Lohman
- raadsheer Hammerstein
- raadsheer Kop
- Rechtspraak.nl
Toestemming echtgenoot vereist voor borgstelling buiten normale bedrijfsuitoefening
In deze zaak stond centraal of de borgstelling door de echtgenoot van verweerster, als directeur en enig aandeelhouder van een BV, zonder toestemming van zijn echtgenote geldig was. De borgstelling betrof een lening die was aangegaan ter omzetting van een huurschuld in een achtergestelde lening, zonder dat de BV over reëel vermogen beschikte.
De rechtbank had het beroep op toestemming verworpen omdat de borgstelling niet was gedaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de BV. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de uitzondering op het toestemmingsvereiste in art. 1:88 lid 4 BW Pro niet van toepassing was. De Hoge Raad onderschreef dit standpunt en benadrukte dat de uitzondering restrictief moet worden uitgelegd.
De Hoge Raad stelde dat toestemming van de andere echtgenoot vereist is wanneer borgstelling niet kenmerkend is voor de normale bedrijfsuitoefening. In dit geval was sprake van een risicovolle borgtocht voor een lening die niet tot de normale bedrijfsuitoefening behoorde. Het beroep van eiseres werd daarom verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat borgstelling buiten normale bedrijfsuitoefening toestemming van de echtgenoot vereist.