3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] is - en was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid - notaris ter standplaats Sint Maarten.
(ii) Op 12 februari 1993 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, rechtsingang tegen [eiser] verleend en zijn gevangenneming bevolen. Voorts heeft het Gerecht in deze beschikking bepaald dat de vereiste instructie zou worden gevoerd.
(iii) Het Gerecht legde aan zijn beschikking ten grondslag:
a. dat voldoende aanwijzingen waren verkregen dat [eiser] zich had schuldig gemaakt aan de daarin genoemde misdrijven, thans kort aangeduid als het medeplegen van als bestuurder en/of oprichter deelnemen aan een verboden vereniging en/of (meermalen) medeplegen van valsheid in geschrifte en/of (meermalen) medeplegen van oplichting;
b. dat het hier ging om strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;
c. dat de rechtsorde door de strafbare feiten ernstig was geschokt en dat tevens sprake was van gegronde vrees voor vlucht van de verdachte, alsmede voor recidive en collusie.
(iv) Op 5 maart 1993 is [eiser], die in die tijd een bezoek aan zijn kinderen in Nederland bracht, krachtens dit bevel aangehouden in een boekhandel te Leiden door de (toenmalige) gemeentepolitie van die stad. Hij is toen gehoord door de rechter-commissaris in strafzaken te ’s-Gravenhage en vervolgens overgebracht naar het huis van bewaring te Scheveningen. Op dezelfde datum zijn drie medeverdachten aangehouden op onderscheidenlijk Sint Maarten en Bonaire.
(v) Op 7 maart 1993 is [eiser] per lijnvlucht overgebracht naar Curaçao en geplaatst in het huis van bewaring op dat eiland.
(vi) [Eiser] heeft dadelijk na zijn aankomst op Curaçao tegen het bevel gevangenneming hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft daarop bij beschikking van 11 maart 1993 de onmiddellijke invrijheidstelling van [eiser] bevolen. Het Hof overwoog daartoe dat er inmiddels onvoldoende gronden waren om [eiser] nog langer in voorlopige hechtenis te houden. [Eiser] is vervolgens op 12 maart 1993 in vrijheid gesteld.
(vii) Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft de instructie op 13 februari 1995 gesloten; [eiser] heeft geen heropening gevraagd. Op 6 maart 1995 heeft het Gerecht de verwijzing van de strafvervolging tegen [eiser] naar de terechtzitting gelast voor de in de beschikking genoemde feiten. Daartoe behoorde toen niet meer het medeplegen van als bestuurder en/of oprichter deelnemen aan een verboden vereniging, maar behoorden nog wel de overige strafbare feiten als hiervoor genoemd in (iii) onder a.
(viii) Tegen deze beschikking is [eiser] in verzet gekomen. Het Hof heeft bij beschikking van 30 maart 1995 dat verzet gegrond verklaard en [eiser] buiten vervolging gesteld, waardoor definitief aan de strafvervolging een einde kwam. Daarbij overwoog het Hof, voorzover in deze procedure van belang:
“Aan beklaagde zijn telastegelegd diverse gevallen van (medeplichtigheid aan) oplichting en valsheid in geschrift. In het uitvoerige dossier heeft het Hof evenwel onvoldoende aanwijzingen van schuld gevonden. In het bijzonder is niet gebleken dat de beklaagde wist of had moeten weten dat derden door zijn handelen benadeeld zouden kunnen worden, noch dat door hem in de in de telastelegging genoemde aktes verwerkte gegevens feitelijk onjuist waren.”