ECLI:NL:HR:2000:AA5614
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1987
Belanghebbende kreeg aanvankelijk een nihil aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over 1987, berekend op een belastbaar bedrag van ƒ186.987, verminderd met investeringsbijdragen. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd die na bezwaar werd verminderd door de Inspecteur.
Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de navorderingsaanslag verder verminderde. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat de aannemingsovereenkomst tussen belanghebbende en C B.V. een bedrag van ƒ188.498 omvatte voor werken die door derden werden uitgevoerd. Hierdoor heeft belanghebbende verplichtingen aangegaan in de zin van artikel 61a lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de navorderingsaanslag, en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende, inclusief vergoeding van het griffierecht. Hiermee werd het cassatieberoep van belanghebbende gegrond verklaard en dat van de Staatssecretaris verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1987 en veroordeelt de Staatssecretaris in proceskosten.