ECLI:NL:HR:2000:AA5614

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35069
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1987

Belanghebbende kreeg aanvankelijk een nihil aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over 1987, berekend op een belastbaar bedrag van ƒ186.987, verminderd met investeringsbijdragen. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd die na bezwaar werd verminderd door de Inspecteur.

Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de navorderingsaanslag verder verminderde. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat de aannemingsovereenkomst tussen belanghebbende en C B.V. een bedrag van ƒ188.498 omvatte voor werken die door derden werden uitgevoerd. Hierdoor heeft belanghebbende verplichtingen aangegaan in de zin van artikel 61a lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de navorderingsaanslag, en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende, inclusief vergoeding van het griffierecht. Hiermee werd het cassatieberoep van belanghebbende gegrond verklaard en dat van de Staatssecretaris verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1987 en veroordeelt de Staatssecretaris in proceskosten.

Uitspraak

Nr. 35069
26 april 2000
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z en het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 december 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende, aan wie aanvankelijk voor het jaar 1987 in de vennootschapsbelasting een aanslag van nihil was opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 186.987,--, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 5.646,-- betreffende het jaar 1987 en investeringsbijdragen uit andere jaren ten bedrage van ƒ 72.885,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 186.987,--, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 11.082,-- betreffende het jaar 1987 en investeringsbijdragen uit andere jaren ten bedrage van ƒ 58.967,--, zonder verhoging.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. De uitspraak van dit hof van 27 mei 1997 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1998, nr. 33437, BNB 1998/291, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd met het bedrag van de meer te verrekenen investeringsbijdrage van ƒ 8.365,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer bij vertoogschrift het cassatieberoep van de wederpartij bestreden.
4. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen van cassatie en van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel van cassatie
4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat in de bij aannemingsovereen-komst van 28 februari 1988 tussen belanghebbende en C B.V. overeengekomen aannemingssom naar de bedoeling van partijen bij die overeenkomst waren begrepen werken, uit te voeren door E B.V voor de centrale verwarming, Firma F voor de elektrische installatie en Firma G voor het grondwerk, tot een totaalbedrag van ƒ 188.498,--.
4.2. Nu belanghebbende zich door de aannemings-overeenkomst, voorzover het de voormelde werken betreft, heeft verplicht tot betaling wegens prestaties die C B.V.- naar het Hof kennelijk heeft aangenomen - krachtens een in die aannemingsovereenkomst begrepen, door belanghebbende onherroepelijk verstrekte machtiging, door derden zou doen verrichten, heeft belanghebbende ten aanzien van het gehele hiervóór in 4.1 vermelde bedrag van ƒ 188.498,-- verplichtingen aangegaan in de zin van artikel 61a, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hieruit volgt dat de door de belanghebbende voorgestelde middelen gegrond zijn en dat het door de Staatssecretaris voorgestelde middel niet tot cassatie kan leiden.
4.3. Uit het hiervóór overwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 35070 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Hof , behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten;
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 315,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van de gedingen in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 26 april 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.