Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2000:AA5734

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00703/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 SvArt. 359 SvArt. 36f SrArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak zware diefstal met geweld en dood tot gevolg

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het hoger beroep van verdachte behandeld tegen een vonnis van de rechtbank Dordrecht. De verdachte werd veroordeeld voor diefstal met geweld, gepleegd door meerdere personen, waarbij de dood van een persoon het gevolg was. Het Hof veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van dertien jaar voor het primaire feit en tot één jaar voor de subsidiaire feiten, waarbij het hoger beroep ten aanzien van deze subsidiaire feiten was ingetrokken.

De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij meerdere middelen werden aangevoerd. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, waarbij het vierde middel dat betrekking had op de motivering van de strafoplegging voor de subsidiaire feiten niet slaagde.

De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht de straf voor de subsidiaire feiten heeft bepaald op grond van artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat een nadere motivering op grond van artikel 359, lid 5 en 6, Wetboek van Strafvordering vereist was. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het Hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf van dertien jaar blijft in stand.

Uitspraak

9 mei 2000
Strafkamer
nr. 00703/99
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie
tegen een arrest van het
Gerechtshof te 's-Gravenhage
van 24 februari 1999 in de
strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 22 september 1998, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "diefstal, voorafgegaan en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter-daad, aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt ge-pleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft" veroordeeld tot der-tien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof ten aanzien van de in eerste aanleg onherroepelijk afgedane feiten 2, 3 en 4 de straf bepaald op gevangenis-straf voor de duur van één jaar. Tevens heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en voor het overige de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard alsmede aan de verdachte de verplichtingen tot betaling aan de Staat opgelegd als bedoeld in art. 36f Sr, een en ander als in het arrest vermeld. Tenslotte heeft het Hof gelast een onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze hebben mr G.P. Hamer en mr A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel klaagt erover dat het Hof de op grond van art. 423, vierde lid, Sv bepaalde straf voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten niet op de voet van art. 359, lid 5 en 6, Sv heeft gemotiveerd.
4.2. De Rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van vier in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten ver-oordeeld tot veertien jaren gevangenisstraf.
4.3. Het Hof heeft met betrekking tot de omvang van het door de verdachte ingestelde hoger beroep het volgende overwogen:
"Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 9 februari 1999, houdende het partieel intrekken van het reeds ingestelde hoger beroep, thans slechts gericht tegen de ten aanzien van feit 1 gegeven beslissing en niet tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde".
Het Hof heeft de verdachte ter zake van feit 1 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar. Ten aanzien van de in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten 2, 3 en 4 heeft het Hof de gevangenisstraf bepaald op één jaar. Het Hof heeft daartoe overwogen:
"Strafbepaling samenloop meerdere feiten
Ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 subsidiair 3 en 4 heeft de eerste rechter één hoofdstraf uitgesproken, te weten een gevang-enisstraf voor de duur van 14 jaren. Nu de verdachte ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 het hoger beroep heeft ingetrokken, en het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dient het hof op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor die feiten de straf te bepalen.
Het hof zal, gelet op de aard en de ernst van die feiten, de op te leggen straf en maatregel bepalen op gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en de door de eerste rechter reeds be-paalde maatregel van onttrekking aan het verkeer".
4.4. Hetgeen het Hof heeft overwogen ter bepaling van de straf van de onder 2, 3 en 4 door de Rechtbank bewezenverklaarde feiten is in overeenstemming met art. 423, vierde lid, Sv. Tot een nadere motivering voor het bepalen van de straf voor deze feiten ter zake waarvan de veroordeling reeds onherroepelijk was geworden, was het Hof niet gehouden. Van een straf-oplegging als bedoeld in art. 359, lid 5 en 6, Sv is te dezen immers geen sprake, zodat de in het middel vervatte opvatting geen steun vindt in het recht.
4.5. Het middel faalt derhalve.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 mei 2000.