ECLI:NL:HR:2000:AA5876

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/109HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • R. Herrmann
  • C.H.M. Jansen
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • O. de Savornin Lohman
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377f BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgangsregeling en ontvankelijkheid vader op grond van nauwe persoonlijke betrekking

De zaak betreft een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn in 1996 geboren dochter. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft en samen met het kind de Britse nationaliteit bezit, betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek. De rechtbank verklaarde de vader niet-ontvankelijk omdat onvoldoende was gesteld dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestond.

Het gerechtshof oordeelde echter dat er wel sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377f BW en dat er family life bestond tussen vader en kind in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het hof achtte de vader daarom ontvankelijk en bepaalde de voortzetting van de behandeling.

De moeder stelde in cassatie dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door ook in situaties zonder nauwe relatie tussen vader en moeder of zonder band tussen vader en kind ontvankelijkheid toe te staan. De Hoge Raad verwierp dit beroep en oordeelde dat het hof zijn oordeel baseerde op een juiste rechtsopvatting en dat het oordeel, als waardering van feitelijke aard, in cassatie niet kan worden getoetst.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot omgangsregeling en verwierp het cassatieberoep van de moeder.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep van de moeder en bevestigde de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot omgangsregeling.

Uitspraak

19 mei 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/109HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr H.M. Wattendorff.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 16 februari 1998 ter griffie van de Recht-bank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot de Kinderrechter aldaar en verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en het op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] geboren kind [de dochter] van één middag c.q. één dag per week, althans een zodanige omgangsregeling als de Kinderrechter juist mocht acht-en.
De moeder heeft een verweerschrift ingediend en verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren.
De Kinderrechter heeft bij beschikking van 8 juni 1998 de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn ver-zoek.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft de vader verzocht met vernietiging van de bestreden beschikking zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen en subsidiair een informatie- en consultatieplicht vast te stellen.
Bij tussenbeschikking van 1 april 1999 heeft het Hof een datum voor de voortzetting van de behandeling bepaald en iedere verdere beslissing aangehouden.
De tussenbeschikking van het Hof is aan deze be--schikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de tussenbeschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buiten- gewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 1996 geboren [de dochter]. De moeder heeft van rechtswege het ouderlijk gezag over [de dochter]. De moeder heeft, evenals [de dochter], de Britse nationaliteit. De vader heeft de Iraanse nationaliteit.
3.2 De vader heeft om vaststelling van een omgangsregeling verzocht. De Rechtbank heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op de grond - zakelijk weergegeven - dat hetgeen hij heeft gesteld onvoldoende is om aan te nemen dat tussen hem en [de dochter] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat als bedoeld in art. 1:377f BW.
Op grond van de feiten en omstandigheden opgesomd in rov. 3.2 van zijn beschikking is het Hof in rov. 3.3 tot het oordeel gekomen dat in dit geval gesproken kan worden van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van art. 1:377f BW tussen de vader en [de dochter], zodat tevens sprake is van “family life” tussen hen in de zin van art. 8 EVRM Pro. Het Hof heeft derhalve de vader alsnog ontvankelijk geacht in zijn inleidende verzoek en de voort-zetting van de behandeling bepaald.
3.3 Onderdeel 2.1 klaagt dat het Hof met zijn in rov. 3.3 vermelde oordeel heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof, gelet op de door hem in rov. 3.2 in aanmerking genomen omstandigheden, kennelijk een verzoek als het onderhavige ook ontvankelijk acht in situaties waarin noch sprake is (geweest) van een zodanig nauwe relatie tussen de vader en de moeder van het kind, dat zij gelijkenis vertoont met een huwelijk, noch van (na de geboorte van het kind ontstane) omstandigheden die maken dat er een band tussen de vader en het kind is ontstaan die als “family life” kan worden aangemerkt.
Onderdeel 2.2 klaagt dat voormeld oordeel onbe-grijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd.
3.4 Het middel faalt. Door op grond van de in rov. 3.2 van zijn beschikking opgesomde feiten en omstandigheden, die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van [de dochter] en deels op de periode na haar geboorte, door het Hof kennelijk beschouwd in onderling verband en samenhang, tot zijn in rov. 3.3 van zijn beschikking vermelde oordeel te komen, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 mei 2000.