ECLI:NL:HR:2000:AA5876
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling en ontvankelijkheid vader op grond van nauwe persoonlijke betrekking
De zaak betreft een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn in 1996 geboren dochter. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft en samen met het kind de Britse nationaliteit bezit, betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek. De rechtbank verklaarde de vader niet-ontvankelijk omdat onvoldoende was gesteld dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestond.
Het gerechtshof oordeelde echter dat er wel sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377f BW en dat er family life bestond tussen vader en kind in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het hof achtte de vader daarom ontvankelijk en bepaalde de voortzetting van de behandeling.
De moeder stelde in cassatie dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door ook in situaties zonder nauwe relatie tussen vader en moeder of zonder band tussen vader en kind ontvankelijkheid toe te staan. De Hoge Raad verwierp dit beroep en oordeelde dat het hof zijn oordeel baseerde op een juiste rechtsopvatting en dat het oordeel, als waardering van feitelijke aard, in cassatie niet kan worden getoetst.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot omgangsregeling en verwierp het cassatieberoep van de moeder.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep van de moeder en bevestigde de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot omgangsregeling.