ECLI:NL:HR:2000:AA6116

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35228
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • G.J. Zuurmond
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over buitengewone lastenaftrek inkomstenbelasting 1994

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tegen de aanslag maakte hij bezwaar, dat door de Inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard. Het Hof vernietigde deze beslissing, handhaafde de aanslag en wees de buitengewone lastenaftrek af omdat belanghebbende onvoldoende inzicht gaf in de financiële positie van zijn zoon.

Belanghebbende stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door de aftrek af te wijzen op grond van een niet besproken onderwerp, namelijk de financiële positie van de zoon, terwijl partijen alleen discussieerden over de aard van de kosten.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof, met uitzondering van de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak naar het Hof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 35228
7 juni 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 februari 1999 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 46.438,--. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1 Het Hof heeft de door belanghebbende bepleite buitengewonelastenaftrek niet toegestaan op de grond dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat zijn zoon boven het reeds door de Inspecteur als buitengewone lasten in aftrek toegelaten bedrag nog verdere ondersteuning behoefde. Het heeft hiertoe redengevend geoordeeld dat belanghebbende geen enkel inzicht heeft verschaft in de financiële en maatschappelijke positie van zijn zoon en dat onduidelijk is of de zoon in 1994 over vermogen en/of inkomsten beschikte. Belanghebbendes eerste klacht luidt dat het Hof door aldus te oordelen de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden.
3.2 Deze klacht treft doel. ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat partijen uitsluitend hebben gedebatteerd over de door de Inspecteur opgeworpen vraag of bepaalde door belanghebbende opgevoerde kosten - de reiskosten, de kosten van de auto, de kosten van afwikkeling van de scheiding van de partner en de overige kosten van levensonderhoud en inrichting - zijn aan te merken als directe kosten van levensonderhoud van de zoon, en niet over de financiële positie van de zoon en de vraag of deze over voldoende inkomsten/vermogen beschikte. Door de buitengewonelasten-aftrek af te wijzen op de in 3.1 vermelde grond is het Hof derhalve buiten de rechtsstrijd getreden.
3.3 De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 340,--.
Dit arrest is op 7 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, D.H. Beukenhorst, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier I. de Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.